VAN HEMELBOOM TOT HEMELSLEUTEL

 

Juli is dé maand van het buitenleven, van genieten van de pracht van groen en bloemen. Maar weet u ook dat heel wat plantennamen een band met het hemelse hebben?

 

Beginnen we met de grootste. Alle bomen reiken naar de hemel, maar de ene groeit al hoger dan de andere. Topper is de hemelboom (Ailanthus altissima) die tot 24 meter hoog wordt. Misschien herkent u hem niet onmiddellijk, maar mogelijk groeit hij in uw tuin of buurt, ongewild aangewaaid vanuit het verre China. Het eerste verwilderde exemplaren werden pas in 1952 in Vlaanderen waargenomen en zijn net als vele invasieve exoten aan een snelle opmars bezig.

In de eerste zomerdagen verschijnen in de graskanten de grote margrieten (Chrysanthemum leucanthemum), hét sjabloon voor kinderbloementekeningen. De oude volksnaam hiervan is sint-jansbloem. Net als het gele sint-janskruid of hersthooi (Hypericum perforatum) verwijst het naar Sint-Jan: het hoogtepunt van hun bloei valt samen met zijn feestdag op 24 juni. De afgelopen decennia heeft het gebruik van sint-janskruid een ware opleving gekend. Wegens zijn antidepressieve werking is het terug te vinden in heel wat homeopathische middelen die een dipje willen bestrijden.

Van sint-janskruid naar sint-jacobskruiskruid (Senecio jacobaea) is maar een kleine stap. Deze mooie gele weidebloem is niet direct de favoriet van paardenhouders. Net als alle kruiskruidigen bevat hij giftige stoffen. Vergiftiging van paarden kan optreden als hij in het hooi, bestemd als voer, terecht komt. Anderzijds is hij een niet te onderschatten bron van nectar en stuifmeel voor zo’n 150 insectensoorten. Zo vormt hij het voedsel van de zebrarups, de larve van de sint-jacobsvlinder, waaraan hij allicht ook zijn naam dankt.

Een andere Jacob is de lavendelblauwe jacobsladder (Polemonium caeruleum). De bloemen staan in tuilen tussen de lancetvormige blaadjes, die als treden van een ladder in paren naast elkaar staan. Vandaar de naam. En met de jacobsladder belanden we in het Oude Testament bij Aäron en Salomon. De aronskelk (Arum) hoeven we u beslist niet voor te stellen. De plant zou zijn Nederlandse naam hebben te danken aan het verhaal dat de bloem uit de staf van Aäron, de eerste hogepriester van het volk van Israël en broer van Mozes, is ontsproten. Tijden na Aäron kwam Salomon, koning en bouwer van de eerste tempel van Jeruzalem. De salomonszegel (Polygonatum) behoort tot dezelfde familie als de aspergeplant, maar is zoals zovele planten giftig. De naam heeft alleen indirect te maken met Salomon door de littekens die afgestorven bloemstengels uit vorige jaren op de wortelstok achterlaten. Vergezocht?

Een apart plantje is het duivelsnaaigaren (Cuscuta) of warkruid, een naam erg letterlijk te nemen. Het is ondertussen op de rode lijst beland. Het kluwen van takjes of draadjes doet sterk danken aan het irritante kleefkruid (Galium aparine) dat te pas of te oppas opduikt, meestal dan in gezelschap van netels en bramen. Van de duivel naar Judas is maar een kleine sprong. U kent beslist de judaspenning (Lunaria annua). De plant dankt zijn naam aan de zaaddoosjes die op zilveren penningen lijken. Judas Iskariot verraadde Jezus voor 30 zilveringen. Volgens sommige volkslegenden zou Judas toen hij zich verhing de zilverstukken onder zijn galg hebben weggeworpen. En daaruit groeiden dan de eerste judaspenningen. Blijven we nog even bij de judaslegenden, dan treffen we het judasoor (Hirneola auricula-judae), een zwam die bij voorkeur groeit op de vlier, de boom waaraan Judas zich verhing. En tegen de achtergrond van dezelfde Goede Week is er nog de christusdoorn (Euphorbia milii), een vrij gekende kamerplant, met scherpe doornen. In Noord-Amerika bestaat een niet-verwante soort als boom: torenhoog én met stekels, beslist geen lieverdje. Om de lijn van de kerkgeschiedenis af te ronden: de wilde kardinaalsmuts (Euonymus europeaus). De helrode kleur van de vruchtdozen en herfstbladeren is hier de link. De plant is gastheer van de kardinaalsmutsstippelmot. Verbaast het dat alle delen van deze struiken giftig zijn?

Distels: geen ‘evasieve exoten’, wel vervelende inheemse woekeraars die we liever kwijt dan rijk zijn. Toch slaagt er eentje de varen onder de vrome naam onservrouwendistel of mariadistel (Silybum marianum). Het is een elegante, sierlijke distel die bij ons niet in het wild voorkomt. En zijn kleur? Blauw natuurlijk. Een lieflijker mariaplantje is het bescheiden lievevrouwebedstro (Galium odoratum), een bodembedekker en ingrediënt voor een heerlijk meiwijntje.  Over het ontstaan van de naam lievevrouwebedstro doet de volgende legende de ronde: de heilige Anna, Maria’s moeder, maakte zich zorgen om haar slapeloos dochtertje. Geen enkele remedie scheen te helpen, tot ze een busseltje van het bedstroplantje in het wiegje legde. Maria sliep als een roos, als dank kreeg het plantje zijn mooie naam.

Een ander ‘gulden cruut’ is de engelwortel (Angelica) met zoals zovele planten tal van eigenschappen: middel tegen de pest in de Middeleeuwen, bron van geurige olie, geconfijte zoetigheid… Volgens de legende zou een engel die kennis ingefluisterd hebben. Zoals vele schermbloemigen kiemt de plant als gek. Zeker niét eetbaar maar ongelooflijk fraai en imposant is de engelentrompet (Brugmansia). De geurige lange bloemkelken van deze kuipplant hebben de zelfde vorm als de instrumenten waarmee engelen hun boodschappen verklanken.

 

En… in welke tuin is er geen hemelsleutel (Sedum spectabile) te vinden?Waaraan dankt dit vetplantje zijn prachtige naam? Mogelijk aan het feit dat de hemelsleutel zoals zovele sedums een van de afweerplanten tegen boze geesten, donder en bliksem was? Of is elke vorm van schoonheid simpelweg een sleutel tot de hemel?

   

Bron:  http://plantaardigheden.nl/plant/beschr/default.htm

 

Joomla! Foutopsporingsconsole

Sessie

Profielinformatie

Geheugengebruik

Database queries