GLASRAMEN

 

Brandglas en glas-in-lood zorgen al eeuwen voor een spel van licht en kleur in kerkgebouwen. Beide woorden worden vlotjes door mekaar gebruikt, maar dekken een verschillende lading. Een glas-in-loodraam is een raam waarbij gekleurde glasscherven door loodprofielen bijeen worden gehouden. Als de glasscherven beschilderd zijn met grissaille, zilvernitraat en/of emailles en gebrand in een oven, spreekt men van brandglasramen.

De langst bewaarde gebrandschilderde kerkramen dateren van rond 1050 in het Duitse Augsburg. De kathedraal van Chartres in Frankrijk (ca. 1200) toont een vroeg hoogtepunt: de blauwe tinten zijn weergaloos.

De gotische bouwstijl houdt van grote raamopeningen gesloten met glas. Door voortschrijdend vakmanschap kan men steeds grotere openingen dichten. De Beeldenstorm in de zestiende eeuw vernielt veel kostbare kerkramen in onze streken. De belangstelling voor het maken van glasramen dooft uit en aan het einde van de achttiende eeuw zijn er bijna geen glazeniers meer te vinden. Beschadigde kerkramen worden dichtgemaakt met gewoon vensterglas of beschilderd met olieverf. De negentiende eeuw brengt een hernieuwde belangstelling voor oude ambachten. Art Nouveau en de neogotiek - waarin heel wat dorpskerken worden opgetrokken - vragen opnieuw om ervaren glazeniers.

Glas is een mengsel van zand, soda, potas en kalk dat wordt samengesmolten bij temperaturen van 1100 graden en hoger. Aanvankelijk stookt men beukenhout om deze temperatuur te bereiken - dit omwille van de felle vlam en de intense hitte -. Waar beukenbossen en zuiver wit zand aanwezig zijn, ontstaan de eerste mobiele glasfabrieken: Noord-Frankrijk, Midden-Duitsland, Bohemen en Noord-Oostenrijk. De kaalkap van de beukenbossen doet zoeken naar een alternatieve brandstof, Noord-Frankrijk stapt over op steenkool. Het roet van de steenkool zorgt spijtig genoeg voor onzuiverheden in het glas. 

Het maken van glas en het bereiken van de juiste kleuren blijft in de Middeleeuwen en ook later een ‘toevalstreffer’. Men heeft de exacte chemische samenstelling en concentraties van de kleurstoffen onvoldoende onder de knie. Daarom ook is ‘oud’ glas rijk aan oneffenheden en kleurafwijkingen. Voordeel is dat de lichtstralen in verschillende richtingen gestuurd worden, wat zeker in gekleurd glas een levendig lichtspel oplevert. Zelfs nu kan een glasmaker niet precies het kleurenresultaat voorspellen: de temperatuur in de glasoven, de tijd van het bakken en de toegevoegde kleurconcentratie. (metaaloxides) zijn moeilijk te beheersen en vaak verrassende factoren.

Veel glasramen in kerken zijn geschonken door instellingen of notabelen. De glasmaker vertrekt van een duidelijke opdracht en tekent een ontwerp op schaal. Na goedkeuring door de schenker, werkt de glazenier de opdracht uit. Daaraan komt voorlopig nog geen stukje glas te pas. De voorstelling wordt vanaf het ontwerp overgenomen op een werktekening op ware grootte. Deze tekening in zwart krijt, inkt of houtskool wordt 'carton' genoemd. Het carton kan geheel zijn ingekleurd of kleuraanduidingen bevatten. Met rode of zwarte lijnen wordt de zijkant afgetekend, verticale lijnen geven de plaats aan van de brugijzers, die later dienen voor het vastzetten van de afzonderlijke panelen glas binnen de raamomlijsting. Deze vierhoek bepaalt tevens de afmeting van elk glaspaneel afzonderlijk.

Na het carton wordt een zogenaamde calque gemaakt, eveneens op ware grootte. Hierop staan alle benodigde gegevens over vorm en kleur. Met een sjabloonschaar knipt men mallen uit de calque, dit in de vormen van de afzonderlijke stukken glas. Dan volgt het uitzoeken van de meest geschikte glasfragmenten in het atelier. Uit de voorraad glasplaten kiest de glazenier die stukken die opvallen door hun bijzondere structuur van strepen, glasbelletjes en andere variaties, om de compositie tot een sprankelend geheel te maken. De glaskeuze bepaalt grotendeels het eindproduct. In de Middeleeuwen is het snijden van het glas een bijzonder moeilijke techniek. Met een gloeiend snij-ijzer maakt de ambachtsman een barst in het glas, daarna ‘knabbelt’ hij met een gruisijzer langs de randen kleine stukjes glas af, tot het gewenste formaat bereikt is.

Wil men het eindresultaat optimaliseren, dan kan dit door brandschilderen. Dit gebeurt met een speciale verf: fijngemalen ijzeroxide en poederglas, vermengd met borax als bindmiddel. Bij verhitting versmelt de verf met het glasoppervlak. Glasschilderen heeft echter als voornaamste doel, het binnenvallende licht zo kunstig mogelijk te doseren.

Lood is al sinds de Middeleeuwen vanwege zijn buigzaamheid hét aangewezen materiaal om de verschillende stukken glas bijeen te houden: relatief goedkoop en goed bestand tegen allerlei weersinvloeden en temperatuurverschillen.

Als het glaspaneel klaar is, heeft het een gemiddelde grootte van 60 bij 85 cm. Deze afmetingen variëren al naar de aard van het onderwerp, maar het oppervlak bedraagt nooit meer dan 1m2. Waar de loodstrippen mekaar raken, worden ze aan voor- en achterkant met tin gesoldeerd. Om het paneel water- en winddichte te maken,  vult men de ruimten tussen loodstrip en glas op met donkergrijze kit. Windroeden geven het glas stevigheid tegen winddruk van buitenaf, bindloodjes vermijden het doorzakken van het paneel.

Vanop een steiger worden de panelen ingepast in de raamlijsting, uiteraard met de geschilderde zijde naar binnen. Tenslotte worden ze vastgemetseld met een kalk/zandmengsel. Nu pas krijgt men een totaalindruk van het eindresultaat.

 

Het glazenierambacht is sinds zijn ontstaan in de Middeleeuwen nog maar weinig veranderd. Een interessante webstek die een inkijk biedt in de manier waarop het ambacht heden te dage beoefend wordt is zonder twijfel die van het Gentse atelier Mestdagh.  http://www.ateliermestdagh.be/nl/ 

 

Deze tekst over glasramen werd ongewild een vrij technische uitleg. Hoe zit het nu met de glasramen in de Sint-Niklaaskerk? Met het spel van licht en kleur in onze kerk? U leest het in een volgend artikel.

 

 

DE KERK IN DE STRAAT

Kerkstraat, Kerkweg, Kerkplein, Kerkhoflaan, Kapelstraat, Pastorijstraat en Kloosterstraat zijn voorspelbare straat- en pleinnamen in iedere Vlaamse gemeente. Voeg daarbij Torenstraat en Processieweg en weet dat je dit hele gamma ook in Willebroek kan terugvinden. Daarnaast zijn er de door de lokale kerk- en gemeentegeschiedenis geïnspireerde namen: Emmanuel Rollierstraat, Jan Willemstraat, kanunnik Arthur Boonstraat, Sint-Janslaan en Sint-Jansplein, Veertienbunderslaan en een mysterieuze Nonnenvijverstraat.

De naam Emmanuel Rollier (1769-1851), de Boerenkrijgleider, is het meest verankerd in de vaderlandse geschiedenis. Geboren in Sint-Amands, belandde hij door zijn huwelijk met de twintig jaar oudere weduwe Isabella Van den Bogaert in Willebroek. In 1795 kwamen de Zuidelijke Nederlanden in handen van de Fransen. In het spoor van de Franse Revolutie (1789) werden kerkelijke goederen aangeslagen, kloosters en kerken gesloten, priesters moesten onderduiken. In oktober 1798 volgde de opstand van de Vlaamse en Brabantse boerenbevolking tegen de Franse bezetter: de Boerenkrijg. Rollier was een van de leiders. Samen met zijn Brigands brak hij de verzegelde deuren van de Sint-Niklaaskerk open en bleef hij een tijd meester over de Rupel en de Willebroekse vaart. Het Fort Sinte-Margriet in Hingene was zijn hoofdkwartier. De Franse overmacht was echter te sterk, Rollier moest vluchten, dook onder, kreeg in 1804 genade, keerde terug naar Willebroek en stierf er oud en vergeten. In de buurt van zijn eertijdse woning herinnert nu de Rollierstraat aan het verleden.

De Jan Willemstraat en Kanunnik Arthur Boonstraat liggen in Blaasveld. ‘Mijnheer Willem’ (1898-1974) was naast priester-leraar een grote hulp in de parochie van de H.Familie. Zijn krachtige stem ondersteunde in vieringen pastoor Eugeen Hendrickx en onderpastoor Joris Verheyden, die beiden op muzikaal vlak minder getalenteerd waren.

Kanunnik Arthur Boon (1883-1938) werd geboren in Blaasveld, maar zijn verdiensten liggen elders. Doctor in de Germaanse taalkunde, professor aan de universiteit van Leuven, stichter van de Katholieke Vlaamse Radio-Omroep en vooral belangrijk als de man die in de jaren 20 als algemeen voorzitter het ietwat ingedommelde Davidsfonds terug leven in blies.

De naam Nonnenvijverstraat is verbonden met het verdwenen Karmelietessenklooster. De kloostergemeenschap - op de vlucht vanuit het Nederlandse Oirschot - kreeg in 1712 onderdak in het domein van het kasteel van baron Jan Helman, gelegen aan de vaart tegenover de Sint-Niklaaskerk. Dit klooster werd in 1786 op last van Jozef II verkocht. De hof van het klooster werd een bleekweide en de brede gracht die erlangs liep, noemde de volksmond ‘de nonnenvijver’. Later dempte men de wal en werd op een gedeelte van het vroegere kloosterpand het Vredegerecht gebouwd.

De Sint-Janslaan en het Tisseltse Sint-Jansplein - niet te verwarren met zijn grote broer in Antwerpen – zijn gewoonweg genoemd naar Sint-Jan de Doperkerk.

Houden we het mooiste verhaal voor het laatst: de Veertienbunderslaan. Het woord bunder is een oude landmaat gelijk aan ongeveer 400 roeden, een waarde die varieerde van streek tot streek. Zo meet een Dendermondse bunder meet 133,9575 vierkante meter. Nauw verbonden met de laan is wat naamgeving betreft het Kapelletje van de Veertien Bunders. De meest gangbare versie luidt dat in 1636 Michel Van Breedam bij het turfsteken in het Broek een beeldje van de maagd Maria vond. Volgens oude gebruiken werd het opgehangen aan de mooiste eik in de buurt. In 1760, tijdens de ijzig koude winter toen alle waters met een dikke ijslaag dichtgevroren waren, merkte men dat het poeltje waarin Maria was gevonden, ijsvrij bleef. Snel ontstond het gerucht dat het beeldje miraculeuze krachten had. Bedevaarders vonden hun weg om te bidden voor genezing van hun oogkwalen of om andere gunsten af te smeken. Een klein houten kapelletje werd gebouwd en in 1860 vervangen door een grotere stenen kapel. De legende vertelt dat elke steen werd aangebracht door devote pelgrims. Ook vandaag de dag blijft het een geliefd plekje, zowel voor Blaasveld als voor de buurgemeenten. Het putje vriest nog steeds niet dicht. In het kapelletje branden voor het verweerde beeldje nog steeds kaarsjes, elk met een eigen verhaal.

Bron:  Karel De Decker, Geschiedenis van de Willebroekse straatnamen; John Palmer,  http://www.sacred-sites.org/

 

 

DE NIEUWJAARSBRIEF

Het schrijven en ‘opzeggen’ van een nieuwjaarsbrief is een traditie die zijn oorsprong kent in de 16e eeuw. De Franse koning Karel IX besliste in 1563 dat 1 januari voortaan nieuwjaarsdag zou zijn. De Zuidelijke Nederlanden, wij dus, volgden in 1575. Tot voordien begon het nieuwe jaar in verschillende streken op diverse data: op 1 maart, met Pasen, met Kerstmis en zelfs op 1 januari. Na de invoering van de Gregoriaanse kalender in 1582 haalde 1 januari het als nieuwjaarsdag in steeds meer landen van Europa en daarna de wereld, met vandaag de dag nog steeds als grootste uitzondering het Chinese nieuwjaar en het Joodse nieuwjaar Rosj Hasjana in de herfst.

De brieven van toen waren héél anders: alleen voor de elite, zij alleen kregen onderwijs en konden lezen en schrijven. De brieven gingen niet alleen tussen kind-ouder of peter/meter maar waren ook gericht aan broodheren of bazen, geschreven in het Latijn en in dichtvorm. Een letterlijke proeve van wat men kon. Zo is er een exemplaar teruggevonden van de Antwerpse drukker Jan Moretus (1543-1610), waaraan een leuk verhaal kleeft. Moretus alias Moerentorf legt in deze nieuwjaarsbrief uit hoe hij op zoek ging naar een geschikte lijfspreuk en bijhorend beeld om zijn imago in de wereld van de uitgeverijen te versterken. Zo kwam hij uit bij Rex Morus, een naam die volgens een uitgevonden traditie uit de vroege Middeleeuwen geassocieerd werd met de drie ‘Magi’ of koningen die het kind Jezus opzochten in Betlehem. Rex Morus was de Moorse koning, de zwarte Melchior. Moerentorf, die zichzelf herdoopte tot Moretus, noemde zijn oudste zonen dan ook Gaspar, Melchior en Balthasar. De brief is gericht aan zijn schoonvader Christoffel Plantijn. Ook van zoon Balthazar is een nieuwjaarsbrief uit 1589 aan grootvader Plantijn bewaard. Opgesteld in het Latijn, met verwijzingen naar de Trojaanse oorlog en een pleidooi voor vrede. Heel strategisch meldt de jongen dat zowel toen als nu geschenken de goede verstandhouding bevorderen. De Latijnse spreuk ‘Do ut des’ (ik geef iets opdat jij iets anders zou teruggeven) komt hier letterlijk tot leven. Eerbiedig vleien én bedelen in één beweging. Geschenken geven is immers een belangrijk ritueel in het aanknopen of onderhouden van relaties, vriendschaps- of familiebanden. Het gebeurt zowel bij overgangsmomenten in de levenscyclus (geboorte en doopsel, communie, verjaardag, huwelijk) als in de jaarcyclus (Sint-Niklaas, Nieuwjaar…).

De brief uit 1589 laat ons toe de link te leggen met nog andere fenomenen die samen de populariteit van nieuwjaarsgeschenken en –brieven verduidelijken. In het oude Rome waren er de rituelen rond de strenae (étrennes) of het geven van geschenken op 1 januari om welvaart op te wekken. Het was de regel dat de ‘groten’ iets aan de ‘kleinen’ gaven, maar, met het oog op het uitlokken van een groter geschenk was het een slimme strategie dat de ‘kleinen’ ook iets aan de ‘groten’ gaven. Dit kon een ‘speciaal gedicht’ zijn, een vrijwel ‘gratis’ geschenk. Zo kennen we de nieuwjaarsgedichten van Charles Fontaine gebundeld in het boekje ‘Estreines, à certains seigneurs et dames de Lyon’ uit 1546. Een verticale beweging: de wensbrief ging van een lager naar een hoger geplaatst individu, geld wisselde in de andere richting van eigenaar. Een andere traditie was horizontaal: zo gingen jongeren in dezelfde 16e eeuw met ketelmuziek op stap. Ze klopten aan bij huizen, brachten een lied en vroegen in ruil de bewoners om een geschenk: munten, voedsel of drank. Geleidelijk ontaardde dit in een vorm van agressief bedelen. De kerk kreeg grip op het fenomeen, goot er een christelijk sausje over en doopte het om in Driekoningenzingen.

Een ander spoor: in de late 17e-18e en 19e eeuw kenden de migrantengemeenschappen in Noord-Amerika rond het jaareinde ook het fenomeen van agressieve groepen jongeren die door de stad trokken. Ook daaraan werd een mouw gepast. Een groepje welgestelden uit het gewelddadige New York ging aan de slag met de figuur van Sint-Niklaas, een knipoog naar de uit Nederland afkomstige bewoners van Nieuw Amsterdam. Rijke burgers werden aangemoedigd de luidruchtige bendes te negeren en liever hun eigen kinderen te trakteren en cadeautjes te geven. Santa Claus, het kerstmannetje, - niet meer dan een cloon van onze Sint-Niklaas - was geboren. Europa moest alleen nog wachten op Coca-Cola om hem te introduceren. En bij beide figuren vinden de kinderen het wijs om via een brief of tekening hun wensen in de verf te zetten.

Helemaal in de lijn van wat voorafging, worden er in Vlaanderen nog altijd nieuwjaarsbrieven geschreven en gelezen, zij het wat speelser van toon en luchtiger van vorm dan vroeger. Aan het begin van de 20e eeuw ging de traditie bij onze noorderburen verloren. Dat viel, toeval of niet, samen met de toenemende populariteit van de kerst- en nieuwjaarskaart. In Vlaanderen zijn de twee gebruiken tot op de dag van vandaag naast elkaar blijven bestaan.

Lees hier onze nieuwjaarsbrief.

 

Goede God,

 

Reeds eeuwenlang komen mensen samen

In onze Sint-Niklaaskerk.

Ze vertrouwen hun hoop

En hun zorgen toe aan een God die zegt:

‘Ik ben er voor u.’

 

Vandaag leggen wij onze zorgen en

Kommer als gemeenschap aan U voor.

 

Wij bidden om profeten en herders,

Priesters, religieuzen en pastorale werkers,

Mensen die voorop durven gaan

Om een nieuwe toekomst te wijzen.

Die uitdagingen durven aangaan

Om Gods visioen zichtbaar te maken.

 

We bidden om een levende gemeenschap

Waarin de geest van creativiteit aanwezig is.

 

Waar de durf om nieuwe dingen te proberen

Groter is dan de gewoonte.

 

Om meer te doen

Dan wat altijd al is geweest.

 

Dat vragen wij U, in naam van Jezus,

Uw Zoon en onze tochtgenoot.

 

 

LUCIA

 

Het Luciafeest van 13 december is het lichtfeest ter ere van de Heilige Lucia. Oorsprong van de viering ligt in de vierde eeuw. Lucia, een Siciliaanse maagd, stierf in 304 in Syracuse (Sicilië) de marteldood. In de late Middeleeuwen werd ze door haar naam (Lucia = licht) verbonden met de terugkeer van het licht na het wintersolstitium.

 

De viering  van Lucia heeft vooral in Zweden een hoge vlucht genomen. Waar de Luciadag gevierd wordt, zijn de gebruiken vrijwel altijd te herleiden tot voorchristelijke Midwintervieringen. De optochten van de Luciabruid en haar gevolg zijn te vergelijken met de Midwinteromgangen.

13 december werd voor de invoering van de Gregoriaanse kalender beschouwd als de kortste dag: het magische moment van de  winterzonnewende/wintersolstitium. Herfst gaat over in winter, de dagen beginnen te lengen, het licht en de zon komen terug. Nadat  in 1582 de kalenderwijziging van paus Gregorius in oktober eenmalig een tiental dagen schrapte, werd 21 december de kortste dag. Zoals de meeste protestantse landen, besloot Zweden pas na 1700 de Gregoriaanse kalender te volgen. Het Luciafeest met zijn viering van de winterzonnewende bleef daarom ook behouden op 13 december. In heel wat andere Europese landen ging de traditie teloor, in Zweden groeide het uit tot een waardige evenknie van het Midzomerfeest. Een hartverwarmend lichtpunt in de dagen waarop even na tweeën in de namiddag de duisternis invalt.

Sankta Lucia is letterlijk het begin van een feestelijke kerstperiode: in de donkerste nacht breekt het licht door. In de warme beslotenheid van de huizen zorgen kaarslicht, knappend houtvuur, geurig gebak en de traditionele kerstvoorbereidingen voor een intieme, verwachtingsvolle sfeer in de twaalf dagen die 13 december scheiden van 25 december. Een mooie symmetrie met de krans van twaalf dagen die Kerst op zijn beurt verbindt met Driekoningen. Lucia wordt gevierd in huiselijke kring en daarbuiten. Zoals gebruikelijk in de Germaanse landen en naar analogie met Sinterklaas- en oudejaarsavond, begint de viering op de vooravond van het feest. Er is de nachtwake: brandende kaarsen en zingende stemmen creëren een mystieke sfeer in de zwijgzame winterse nacht.  Alcohol verjaagt de kou en vrolijkt op. ’s Ochtends gaat de jongste dochter als  Lussibrud (Luciabruid) samen met haar bruidsmeisjes alle kamers langs, zingt en verwent alle huisgenoten met saffraanbroodjes en andere lekkernijen als ontbijt. De kroon van brandende kaarsen op het hoofd, de witte jurken en rode sjerpen horen erbij zoals de mijter bij de sint. Ook scholen, ziekenhuizen, kantoren, fabrieken houden Lucia-optochten: Sankta Lucia gevolgd door meerdere meisjes en een aantal stjärngosser (sterrenjongetjes) met kaarsen in de hand. Skansen, het openluchtmuseum of het ‘Bokrijk’ van Stockholm, kiest een nationale Lucia. De schrijver die even tevoren de Nobelprijs Literatuur won, mag haar kronen.

 

Maar waarom het zover zoeken als ook onze buurparochie Sint-Jan Baptist en Sint-Amandus in Heindonk een levendige Luciatraditie kent? Tot voor enkele decennia bestond er een intense verering, voornamelijk na schenking van een voor echt verklaarde reliek in 1652. Deze reliek wordt bewaard in een houten reliekschrijn (1691-1710) bekroond met een sierlijke Sint-Luciabuste. De verzilverde reliekhouder is van jongere datum. Bedevaarders uit buurgemeenten en uit de wijdere omtrek kwamen op 13 december te voet, met paard en kar, later met bussen, een volkstoeloop die oudere inwoners van Heindonk zich nog kunnen herinneren. Als je weet dat de naam Lucia afgeleid is van het Latijnse woord lux/lucis,(=licht), is het best te begrijpen dat ze aanroepen wordt ter genezing van slechtziendheid en blindheid. In brilloze tijden best een remedie.  Het Luciagenootschap hield de verering levendig. Wie lid werd, kreeg een boekje en werd een rode draad om de hals gehangen met een scapulier of een medaille van de heilige. Net als in sommige andere bedevaartsoorden gingen gelovigen rond de kerk om te persjoenkelen. Het was een gangbaar maar nu wel  omstreden gebruik dat dateert uit de Middeleeuwen en mogelijk een woordje uitleg vraagt.

 ‘Portiuncula’ (Italiaans voor kleinigheid, niemendalletje) was de naam die de jonge Franciscus destijds gaf aan het verkommerde Mariakapelletje buiten de muren van Assisi, en door hem rond 1205 eigenhandig hersteld. In de loop van de 16de en 17de eeuw werd omheen de portiuncula-kapel een indrukwekkende barokke basiliek gebouwd. Het originele kapelletje staat er nog altijd, klein en pal in het midden van de basiliek.  
Volgens een niet-bevestigde traditie zou Franciscus van paus Honorius III destijds een volle aflaat hebben verkregen voor iedereen die het kapelletje bezocht. Een aflaat betekent kwijtschelding van straf na fout of zonde. Later werd die praktijk ook uitgebreid naar andere kerken en kapellen. Vooral op Allerzielen liepen destijds veel mensen hun parochiekerk in en uit, dit om aflaten te verzamelen voor de overledenen. Het ging om een zogenaamde ‘toties-quoties’-aflaat: telkens als men de kerk binnenging en er bepaalde gebeden bad, verdiende men een aflaat. Op dit in- en uitlopen van de kerk, op het aantal kortingen die men kon verzamelen, stond geen limiet. Onderhandelen, het op een koopje gooien met God, zo zouden wij het nu noemen. In de volksmond heette dit ‘persjoenkelen’ of ‘persjonkelen’, een verbastering van portiuncula. Aan deze traditie kwam pas een einde in 1966 toen paus Paulus VI besliste dat er voortaan nog maar één enkele aflaat kon worden verdiend, dat die alleen kon worden verkregen in kerken of kapellen van de franciscanen. U ziet het: onderhandelen en compromissen sluiten, het kan volgens de officiële leer van de kerk zelfs met de Allerhoogste.

Wat rest? Voor Heindonk is de naamdag van Lucia nog altijd een feestelijke hoogdag. Er is de mooie Luciaviering op de aanpalende zondag. Kaarsen worden gewijd, de gelovigen vereren de relikwie en nemen een brandende kaars in ontvangst. De rode draad zit samen met een tekstje rond de kaars gebonden. Natuurlijk mag het Lucia-lied niet ontbreken, voorgezongen door het Luciakoor en uit volle borst meegezongen door de kerkgemeenschap. Daarna wordt er gefeest! Voor wie mee wil zingen, volgt hieronder alvast de tekst:

 

Santa Lucia 

Ster in de duisternis

stralende geheimenis,

vol vuur en gouden glans,

warmte en luister.

 

Licht dat het donker breekt

en vreugd’ en blijdschap spreekt.

Santa Lucia, Santa Lucia!

 

Zingt met de zangers mee,

licht in de sterrenzee,

een lied van hoop en vreugd’

geluk en vrede.

 

Bidt toch dat onze Heer

geef licht en leven weer.

Santa Lucia, Santa Lucia!

 

 

 

 

KERKHOF EN BEGRAAFPLAATSEN

 

Eeuwenlang begroef men de doden in Willebroek op het kerkhof rond de Sint-Niklaaskerk. Een decreet van de Oostenrijkse Habsburger keizer Jozef II van 26 juni 1784 veranderde die traditie hier en elders radicaal. Het bijzetten van de doden - vooral de adellijke families en de clerus hield eraan in de kerk begraven te worden - in om het even welk religieus gebouw werd officieel verboden. In de steden moesten de kerkhoven aangelegd rond de bidplaatsen om hygiënische redenen verdwijnen. Voortaan zouden de nieuwe begraafplaatsen in dunbevolkte gebieden buiten het stadscentrum aangelegd worden. Een beslissing die bij onze gelovige voorouders niet in goede aarde viel: zij wilden immers zo dicht mogelijk bij het altaar rusten, zoniet binnen de kerk, dan toch in de ‘gewijde grond’ errond. Jozef II werd niet zonder reden Keizer-Koster genoemd: hij perkte het gebruik van de kaarsen in, bepaalde hoeveel zwaaibeurten het wierookvat mocht maken, bedevaarten werden afgeschaft en het aantal processies per parochie werd teruggebracht tot hooguit twee. Vanaf  1786 werden alle kermissen op één dag gevierd, dit om de uitgaven te beperken. Preken waren aan censuur onderhevig én de pastoorsambten stonden open voor concurrentie! Andere tijden, andere zeden. Uiteraard stierven al deze maatregelen snel een stille dood. Enkele belangrijke ingrepen overleefden de tijd: de instelling van het burgerlijk huwelijk, het recht op echtscheiding én het verplaatsen van de kerkhoven naar een locatie buiten de dorps- of stadskern. Waar Jozef II dit laatste punt nog niet overal kon realiseren, kwam Napoleon het verder afwerken. De enorme bevolkingsgroei na 1800 liet de steden trouwens weinig andere keuze. Kortom, de traditie van het begraven binnen de stadsmuren of/en op kleine kerkhoven rond de kerk eindigt hier.

Hoe snel was Willebroek om deze decreten in realiteit om te zetten? Reeds in 1882 werd door de Willebroekse gemeenteraad de wijk Den Brand gekozen als begraafplek en vanaf 1884 werd deze effectief in gebruik genomen. In 1905 werd het oorspronkelijke kerkhof rond de Sint-Niklaaskerk ontruimd en met boompjes beplant. In 1909 zorgde Alida Peeters, vrouw van industrieel en burgemeester Louis De Naeyer voor een opfrisbeurt: de oude kerkhofmuur werd afgebroken en vervangen door een sierlijke smeedijzeren grille rond een bloementuin.  Letterlijk een kerk’hof’ dus. Aanvankelijk zorgde ook de gemeente zoals overal elders voor het vervoer van de kist van de kerk naar de begraafplaats. Paard en kar, later een heuse ‘doodenwagen’ of corbillard, een woord dat nog altijd meer charme heeft dan de koele ‘lijkwagen’. De herkomst van dit woord is niet direct voor de hand liggend en voert terug naar de Franse Middeleeuwen. Platboten verzorgden het transport van voedsel en bouwmaterialen tussen Parijs en Corbeil. Afgeleid van de naam van deze gemeente uit de regio Ile-de-France noemde men deze schepen ‘corbeillards’. Tijdens de grote pestepidemie in de veertiende eeuw kregen de schepen tijdelijk een andere functie: het vervoer van de doden. Deze associatie heeft het gehaald. Zo durven we ook hopen dat het stemmige woord ‘kerkhof’ het pleit zal winnen tegenover de klinisch kille ‘begraafplaats’.

In Blaasveld, Leest, Weert en enkele andere dorpjes in de buurt rest nog steeds het intieme kerkhof. Het moet een onbestemde rust en aanvaarding geven te weten dat je voor ‘de rest van je dagen’ in de schaduw van een vaak eeuwenoud, gewijd en door mensen geëerd gebedshuis kan toeven.  

Welke ‘kerkhofsporen’ resten er nog rond de Sint-Niklaaskerk?  In de bakstenen buitenmuur aan de kant van het voormalige klooster is een arduinen zerk ingemetseld met daarop de namen van enkele pastoors van de kerk: Jacobus van Geenom 30.4.1678 en Egidius Scheffermeyer 28.XBRIS.1782 om er twee te noemen. (XBRIS = december, tiende maand). In de zijgevel kant Kerkstraat zijn nog sporen te vinden van de ingangspoort, voorbehouden aan de barons van Willebroek. De poort werd dichtgemetseld met een grote grafsteen omringd door 22 kleine grafsteentjes met daarop de namen van Karmelitessen van hun voormalige klooster aan de Nonnevijver, gesloten tijdens de regering van Jozef II. Maar dat is stof voor een later verhaal.

 

Joomla! Foutopsporingsconsole

Sessie

Profielinformatie

Geheugengebruik

Database queries