HET CHRISTUSBEELD VAN TONY BLICKX

U heeft het allicht gemerkt. Sinds begin 2014 staat in de groene ruimte links naast de Sint-Niklaaskerk het stenen Christusbeeld van Tony Blickx. Jarenlang hield het de wacht bij de H.Kruiskerk, na de sluiting hiervan maakte het de overstap naar de tuin van de centrumkerk.

Het beeld is gemaakt door Tony Blickx, zoon van de Mechelaar Theo Blickx (1875-1963). Tony groeide op in een kunstzinnig milieu. Zijn vade was kunstschilder, beeldhouwer, leraar- directeur aan de Academie van de stad Mechelen. Herman De Cuyper – schilder, beeldhouwer en dorpsgenoot – behoort samen met zijn Mechelse vrienden Rik Wouters en Ernest Wijnants terecht tot zijn bekendste leerlingen.  Jaarlijks komen heel wat bezoekers uit binnen- en buitenland de werken van deze gedreven en getalenteerde Blaasveltenaar bewonderen in het museum aan de Mechelsesteenweg.    http://www.museumhermandecuyper.be/informatie.htm 

De manier waarop men Christus uitbeeldde, onderging in de loop der tijden een hele evolutie, gekoppeld aan het godsbeeld van de gelovigen. In de vroeg-christelijke kerk waren gewoon geen afbeeldingen, alleen symboliek : de duif met de olijftak of de vrede, het schip of de reis naar de eeuwigheid, de vis (het Griekse woord hiervoor Ichtus vormt de beginletters van Jezus Christus, Gods Zoon en Redder) en de (goede) herder (Christus). De bijbel keurde immers nadrukkelijk het maken van godenbeelden af. De islam hanteert trouwens nog steeds dit verbod. In onze religie werden die strenge verboden geleidelijk uitgehold en tegen de vijfde eeuw waren voorstellingen van Christus, zijn apostelen en andere heiligen vrij algemeen.

Aanvankelijk verschijnt Christus als een jonge Griekse filosoof en ook als kind, tezamen met zijn moeder Maria. Uit de afbeeldingen van Jezus als leraar en wetgever ontstond in de zesde eeuw het beeld van Chrisus als ‘pantokrator’, de Allenheerser. Wie Griekenland of de Slavische landen bezocht, vergeet nooit de fresco’s uit de Byzantijnse en orthodoxe kerken: een Christus die vanuit de kerkkoepel met een boek in de hand streng op de gelovigen beneden neerkijkt.

Vreemd maar waar: de eerste afbeeldingen van de gekruisigde Christus verschijnen pas in de vijfde eeuw. Een eerste voorbeeld is te vinden op de houten deuren van de Sint-Sabinakerk in Rome (circa 430). Vanaf de negende eeuw wordt de afbeelding van een stervende Christus vrij algemeen. Het Gero-kruis (965-970) in de Dom van Keulen is het oudste grote beeldhouwwerk van een gekruisigde Christus ten noorden van de Alpen. De crucifix (Latijn cruci fix = aan het kruis vastgemaakt) wordt het symbool bij uitstek van de katholieke kerk. Met deze afbeelding benadrukken zij de opofferering van Christus. Protestanten geven de voorkeur aan een kruis zonder de figuur van Jezus, daarmee leggen zij het accent op de wederopstanding.

Vanaf de achttiende eeuw zien we Christus steeds vaker met vlammend en gewond hart, het typische ‘H.Hartbeeld’ uit de tijd van het rijke Roomse leven. Aan de basis van deze verering liggen de visioenen van Marguerite-Marie Alacoque (1647-1690), Franse kloosterzuster en mystica. De toenemende industrialisatie van negentiende en twintigste eeuw dwong de kerk in een nieuwe rol, het geloofsleven buiten het kerkgebouw kalfde af, de encycliek Rerum Novarum is hét middel om de band met de arbeider terug aan te halen. H.Hartverering zou persoonlijke vroomheid met sociale actie en naastenliefde stimuleren.

Begin twintigste eeuw werd op de berg bij de Braziliaanse stad Rio de Janeiro het 38 meter hoge beeld van Christus, de Verlosser, ingewijd. Christus heeft de armen wijd geopend en kijkt vol liefde neer op de stad, met haar goede en kwade kanten. Hij is gekomen voor het geluk van alle mensen. Mogelijk heeft deze uitvoering Blickx geïnspireerd voor zijn Christus? Tijden evolueren, in religie zo goed als op alle andere vlakken van het leven. Hoe christenen Christus afbeelden laat steeds weer verschillende kanten zien van zijn persoon, is telkens weer een poging om een antwoord te geven op de vraag: ‘Wat betekent Hij voor ons?'

 

 

 LABYRINT

Een zondoorstoofde of koele zomerherinnering: Barvaux-sur-Ourthe, de Italiaanse tuinen of de kathedraal van Chartres? Wat ligt het verband? In doolhoven en labyrinten.

In Barvaux of dichter bij huis in Leest legden maïsboeren een leuk plantennetwerk aan voor kinderen compleet met speelse uitkijktorens en verrassingsplekjes.

In Italië lieten rijke heren eertijds symmetrische parken aanleggen, en daar hoorde vaak een doolhof met keurig geschoren hagen bij. Hun grondplan volgt het kaartspel: harten, klaveren, ruiten en schoppen. De vormgeving is niet ingewikkeld, eerder bedoeld voor wandelaars dan voor zoekers. De stemming is veeleer intiem dan beklemmend. De tuinarchitecten van die tijd zochten die intimiteit bewust op: toentertijd stond zo’n doolhof symbool voor de zoektocht naar liefde. Te vinden, aldus de zestiende-eeuwse dichter Jacob Cats, in ‘de rustige haven van het huwelijk’. Soms mét prieeltje, een rustplek voor stiekeme geliefden.

In de kathedralen van Chartres en Amiens vind je schoolvoorbeelden van labyrinten, de doolhoven voor gelovigen. Ze zijn ingelegd in mozaïeken of tegelpatronen, een heuse trend tijdens de gotiek (1140-1500). Het labyrint van de Hanswijkbasiliek van de stad Mechelen sluit hier naadloos bij aan. Na de Middeleeuwen raakte de traditie van het labyrint in de vergetelheid. Een zeventiende-eeuws labyrint zoals dit is dan ook zeer bijzonder, beslist een aanrader bij uw volgend bezoek aan de Dijlestad!

Misschien stond je er nog nooit bij stil, maar hoe ingewikkeld de wendingen er ook uitzien, het kerkelijke labyrint heeft maar één pad en dat voert onvermijdelijk naar het centrum. Je hoeft geen keuzes te maken, je kunt niet doodlopen, want Jezus is de enige weg en waarheid. Het is een pelgrimstocht in miniatuur. Het pad drukt op een symbolische wijze uit dat christenen niet zullen verdwalen ondanks alle beproevingen, onzekerheden en teleurstellingen, omdat God hen leidt op de juiste weg. Het labyrint is ook een manier van contemplatie. Tijdens het bewandelen maak je een spirituele reis naar het innerlijke. Om dit ten volle en met alle zintuigen te beleven, legde men vroeger de weg geknield af.

Het labyrint is de oudste vorm van een doolhof. Het opzet is tegengesteld: in doolhoven verlies je de weg, in een labyrint volg je zonder enige moeite het juiste en enige spoor.

De oudste labyrinten dateren van zo'n 4.000 tot 6.000 jaar terug en zijn gevonden in het gebied rond de Middellandse Zee. Klassieke labyrinten kunnen vierkant of rond zijn, maar de constructie volgt een vast patroon: een eenpadige weg. Het meest bekende en tot de verbeelding sprekend labyrint uit de Oudheid is ongetwijfeld dat van koning Minos uit Kreta. Dankzij de draad van Ariadne kon de held Theseus hieruit ontsnappen nadat hij de hierin opgesloten Minotaurus gedood had. Ook de Romeinse kunst is rijk aan labyrinten, de mozaïekvloeren waren handig om de juiste patronen te leggen: rondgangen opgedeeld in vier kwadranten, net als in Hanswijk trouwens. En in verschillende middeleeuwse handschriften zien we joodse stad Jericho als labyrint afgebeeld.

Het doolhof met zijn vele vertakkingen en doodlopende wegen is ontstaan tijdens de Italiaanse renaissance (14e-16e eeuw): aanvankelijk als klassiek eenpadig labyrint, maar geleidelijk voegden creatieve geesten meer en meer dwaalwegen toe. Vanuit Italië verspreidde de renaissancetuin zich dan over Europa, met in zijn spoor het doolhof zoals wij het kennen. En ook deze tekst heeft de labyrintvorm: van vertrekpunt verkennend rondwandelen om te eindigen bij de beginalinea.

Wat is het verband met de Sint-Niklaaskerk? Geen. De kerkvloer vertoont noch een fraai ingelegd labyrint, noch vergeten grafstenen. De ingemetselde grafstenen aan de buitengevel van de kerk zijn een ander en later verhaal. Maar de labyrinten maken momenteel een opmerkelijke revival door: ze worden momenteel wel vaker aangelegd bij kerken, scholen, ziekenhuizen, in parken en op pleinen of in de natuur. Misschien een spiritueel idee bij een ooit mogelijke herinrichting van een kerkplein in onze gemeente?

 

 

  

VARIATIES OP EEN THEMA

Kerk met vakantie? Enkele leuke tussendoortjes tonen aan dat het kerkgebouw allerlei inspiraties kan dienen. Losse grepen… mogelijke tips voor een late zomeruitstap.

Vooreerst is er de doorkijkkerk die het architectenduo Gijs Van Vaerenbergh  in 2011 deed verrijzen als onderdeel van het kunstenparcours Pit.’ Reading between the lines’ is een tien meter hoge constructie te midden van de Borgloonse boomgaarden, een stapeling van honderd platen cortenstaal die niettegenstaande hun dertig ton lijken te zweven in het landschap. Meer info http://www.vai.be/nl/project/uit-het-architectuurboek-ndeg10-reading-between-the-lines-gijs-van-vaerenbergh 

Iets dichter in onze buurt op Antwerpen Linkeroever, Sint-Anneke in de volksmond, is er de moderne Sint-Anna-ten-Drieënkerk met haar hagelwitte klokkentoren. Een kerkgebouw dat onderdak geeft aan mensen die het mooiste uit woord, beeld en klank proberen te halen. In 2011 werd deze kerk ingehuldigd als eerste fietskerk in Vlaanderen,  ondertussen is ze het bruggenhoofd geworden van een gans netwerk van open kerken met speciale faciliteiten voor fietsers. De Schelde-kerken-fietsroute komt aan de overzet Wintam-Rupelmonde onze richting uit. Meer informatie vindt u na enig speurwerk op de webstek http://www.openkerken.be/ onder kerkroutes, fietsroutes of op http://www.sint-anna-ten-drieen.be/ zelf.

Wie deze zomer naar Friesland trekt, mag zeker niet nalaten de Broerekerk in Bolsward te bezoeken. Deze dertiende eeuwse kloosterkerk werd in 1980 in as gelegd, alleen de buitenmuren en zuilen hielden stand. Nu maakt een glazen dak van dit gebouw een letterlijk open kerk, met prachtige lichtinval bij een stralende hemel. Vrij ver? Mogelijk kunnen deze fraaie beelden u toch over de streep trekken:  https://www.google.be/#q=broerekerk+bolsward

Nog een vierde, verre en laatste suggestie: het kerkje Saint-Hugues-de-Chartreuse, nu Museum voor Hedendaagse Religieuze Kunst, in de Franse Alpen. Na een jarenlange zoektocht naar muren van kerken die hij mag beschilderen, vindt  Arcabas (Jean-Marie Pirot ° 1926) in februari 1952 de bescheiden kerk van Sint-Hugues gelegen in het departement Isère. De kerk is dringend toe aan vernieuwing en opfrissing en zowel de priester als de burgemeester slaan het aanbod niet af. Dit is het begin van een avontuur, een vriendschap tussen priester en schilder die levenslang zal duren.  Het wordt een totaalproject: niet alleen de kleurrijke en verhalende fresco’s op de muren, ook de glasramen en het meubilair zijn van de hand van deze gedreven en eigenzinnige kunstenaar. Ze getuigen van een warm geloof en grote creativiteit. Kijkt en grasduint u op de webstek  http://www.saint-hugues-arcabas.fr/. Ook in Vlaanderen zijn er werken van Arcabas te vinden. Kardinaal Danneels kocht in 2001 het veelluik over Jezus’ geboorte en kindertijd voor de raadszaal van de bisschoppenconferentie in Mechelen. Beelden en een schat aan achtergrondinformatie over deze werken en over de kunstenaar, zie http://www.pastoralezorg.be/m958/arcabas/#arcabas-6

 

 

DE PREEKSTOEL

Wie gehoord wil worden, moet ook gezien kunnen worden, dàt is de simpele reden die aan de basis ligt van het gebruik van een ‘preekstoel’ in de kerk.

De preekstoel is als meubilair voortgekomen uit een ‘samensmelting’ van de oud-christelijke ambo en het middeleeuwse doksaal, dat dienst deed als afscheiding tussen het schip (middengedeelte) van de kerk en het koor vooraan. Een ander woord voor preekstoel is immers kansel, afgeleid van het Latijnse woord cancelli, wat betekent traliewerk of hek. De titel kanselier is van dezelfde oorsprong. Rondtrekkende paters dominicanen gebruikten in Duitsland en Italië draagbare kansels, handig als ze her en der met hun boetepreken de gelovigen de levieten wilden lezen. Vaststaande preekstoelen waren al bekend in de vijftiende eeuw, maar werden pas in de latere eeuwen algemeen. Het Concilie van Trente (1545-1563) wilde immers meer belang toedichten aan de preek en promootte daarom de preekstoel. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) klimt de priester of de voorganger niet meer de preekstoel in, maar houdt de homilie opnieuw op gelijke hoogte met de gelovigen, vanachter een eenvoudige lezenaar (ambo). Zo wordt teruggegrepen naar de oude traditie van de ambo, de kleine stenen preekstoel in de oud-christelijke basilieken. De lezing van evangelie en de homilie gebeuren aan de ambo rechts van het altaar, wat men de evangeliezijde noemt, voorbehouden aan de voorganger. De epistelzijde is bestemd voor de eerste lezing (epistel) en de kleinere tussenkomsten door de lector of de voorzanger.

Homilie of preek? Wel, deze woorden worden losjes door mekaar gebruikt maar hebben een klein nuanceverschil. De homilie is simpelweg gezegd een preek gehouden tijdens een (eucharistie)viering. De homilie, afgeleid van het Grieks homilia of conversatie, was oorspronkelijk een informeel onderricht, een nadere verklaring. De inhoud wordt in principe bepaald door de voorgaande Schriftlezingen, het epistel en het evangelie dus. Een preek is het eerder algemene woord voor een gelijkaardig betoog in diverse omstandigheden.

En van ambo en homilie terug naar de preekstoel en wel naar deze van de Sint-Niklaaskerk. Wie de kerk binnenwandelt, kan niet naast dit imposante beeldhouwwerk heen. De houten preekstoel bestaat uit verschillende delen. Aan de voet van de preekstoel staat een levensgroot beeld van de patroonheilige van de kerk, Sint-Niklaas. Met zijn lichaam stut hij de kuip van de kansel. Zijn rechterhand houdt hij uitgestrekt, met de linker trekt hij de mantel samen. Links aan zijn voeten is er de tobbe met de drie kinderen uit de legende. Een putti houdt de kromstaf vast, een tweede engeltje de mijter, beide attributen van de bisschop die Sint-Niklaas was. De sierlijke trapleuning die leidt naar de kuip, is versierd met bladeren. Aan beide zijden van de trap wacht een engel, symbool voor Hoop en Geloof. Op de kuip zelf zijn de drie bustes van de Goede Herder en de apostelen Petrus en Paulus gesculpteerd, elk gevat in een medaillon. Boven de preekstoel ziet u het waaiervormige klankbord, noodzakelijk voor de akoestiek. De duif, symbool voor de Heilige Geest, staat garant voor goddelijke inspiratie, hét noodzakelijk ingrediënt voor elke homilie, toen en nu. U bekijkt en bewondert dit alles best zelf bij een volgend bezoek aan de kerk. De preekstoel werd ten tijde van keizer-koster Jozef II (1741-1790) uit Willebroek weggehaald en naar Mechelen overgebracht. Hoe hij terug hier geraakte, is een heel ander verhaal.  Een zijsprong naar Willebroekse geschiedenis lijkt aangewezen.

We belanden hiervoor bij de geslacht Helman dat vanaf 1525 tot aan de dood van Roger Helman de Grimberghe, de laatste telg van de familie in 1945, vrij nauwe banden met Willebroek had. De geschiedenis van de familie Helman gaat terug tot 1527 in Duitsland, waar een van de  stamvaders een belangrijke functie bekleedt in Keulen. Aangetrokken door de toenmalige roem en rijkdom van Antwerpen, verhuist een van de zonen omstreeks 1550 met zijn gezin naar de Scheldestad. Later vinden we verdere nazaten terug in Den Haag waar in 1631 Jan Helman, de meest prominente figuur voor ons, geboren wordt. In 1661 wordt hij door Filips IV (1605-1665), heer van de Zuidelijke Nederlanden en koning van Spanje, tot baron van Willebroek en Ruisbroek verheven. Baron Jan Helman laat terstond een prachtig kasteel bouwen langs de vaart, vlakbij de kerk. Tijdens de Brabantse Omwenteling (een opstand van de Zuidelijke Nederlanden tegen het Oostenrijkse gezag van diezelfde keizer-koster in 1789-1790) wordt het kasteel gedeeltelijk verwoest en geplunderd. Tien jaar later sloopt men het middengedeelte van het gebouw. Er wordt een straat door de tuin van het kasteel getrokken en met stenen van de afbraak bouwt men de eerste huizen van de Kasteelstraat (huidige Torenstraat).  De fraaie poort van het kasteel wordt jaren later – in ruil voor de teruggave van de preekstoel door de stad Mechelen! – overgebracht naar het Mechelse landgoed Coloma, waar ze roemloos en tot steenpuin herleid aan haar einde komt. Het wapenschild van Jan Helman, met drie afgerukte leeuwenkoppen van goud, werd bij koninklijk besluit van 30 juni 1853 officieel erkend als wapenschild van Willebroek. Bij het vellen van de bomen op het plein voor de Sint-Niklaaskerk werd in 1965 bij toeval de grafkelder van de familie Helman de Grimberghe ontdekt.

Eindigen we met een muzikale noot. Wie nauwlettend kijkt, kan op de rand van het klankbord de woorden ‘Esurientes implevit bonis’ lezen, een citaat uit het Magnificat, Lucas 1:46-55 (De hongerigen heeft hij met gaven gevuld). U kan ook een gezongen versie beluisteren via volgende links:

 http://www.youtube.com/watch?v=K0XIH4lpDvk  

http://www.youtube.com/watch?v=8pu5ZsGzc9M 

 

 bron: oa Karel De Decker en Jean Huyghe, 'Willebroek en het geslacht Helman', 2005

 

 

OP BEDEVAART NAAR SCHERPENHEUVEL

Scherpenheuvel. De barokke koepel die in de verte oprijst, de geur van waskaarsen en wierook, het stijfjes aangeklede votiefbeeld, de kraampjes met scapulieren, noppen en pepernoten… Wie van ons kent dit bedevaartsoord niet? Het geliefde Vlaamse Mariabedevaartsoord in Scherpenheuvel is ontstaan uit een oeroude eikenverering. Het is een vaker geziene evolutie: ofwel hing men een Mariakapelletje aan een cultusboom, ofwel werd de boom ingebed in of rond een christelijk heiligdom.   

De eerste vermelding als bedevaartsoord dagtekent uit de veertiende eeuw. Lodewijk van Velthem, kapelaan van Sichem, schreef anno 1304 in zijn Spiegel Historael dat men ongeveer halfweg tussen Zichem en Diest een beroemde eik vereerde, die gegroeid was als een kruis. Men wendde de schors aan tegen allerlei ziekten en onheil. Van overal kwamen bedevaarders die hun pelgrimsstaf (scerpe) aan de eik hingen om duidelijk te maken dat ze dankzij de boom genezen waren. Zoals op zoveel andere plaatsen kerstende men wellicht die heidense wonderboom door er een Mariabeeldje aan te hangen en zo de brug naar het christendom te leggen. Wanneer dat precies gebeurde is niet bekend. Men weet wel dat ook aan het Mariabeeldje wondere krachten toegeschreven werden.  Er is de legende van de herder die rond 1500 het beeldje wil meenemen, als het ware verlamd raakt, maar na het terugplaatsen van het beeld opnieuw kan lopen. Het ‘wonder’ wordt beschouwd als een definitief teken dat Maria vereerd wil worden op de ‘Scherpen Heuvel’ nabij Zichem. Dit relaas wordt in 1604 opgetekend door Philips Numan, griffier van de aartsbisschop van Mechelen, in zijn boek ‘Historie der Mirakelen’. Het boek verschijnt in het Nederlands, Engels, Frans en Spaans. Dit zorgt ervoor dat Scherpenheuvel in heel West-Europa bekend raakt. Men gelooft dat Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel de kracht heeft zieken te genezen, koorts te weren en zelfs boze geesten uit te drijven.

Gedurende de hele zestiende eeuw komen pelgrims uit Zichem en wijde omstreken naar het beeldje aan de eik. Het beeldje verdwijnt als in 1580 de Geuzen Scherpenheuvel binnenvallen, de strijd tussen Spanje en de Nederlanden is volop aan gang. Pas zeven jaar later wordt het beeldje vervangen door een ander Mariabeeld, dat nu nog altijd op het altaar in de basiliek staat. Met of zonder beeld, de mirakelen blijven doorgaan en de boom zelf blijft voorwerp van vurig volksgeloof. In 1602 richt men een houten kapelletje op naast de eik en wordt het vereerde Mariabeeldje daarin opgehangen. Ondanks het kapelletje met het wonderbeeldje nemen de bedevaarders nog altijd wat magische eikenschors mee. De Antwerpse bisschop Johannes Mireaus (1560-1611) ergert zich blauw aan deze bijgelovige praktijken en laat daarom in 1603 de cultuseik vellen. Aartshertogin  Isabella, dochter van de Spaanse koning Filips II en kleindochter van Keizer Karel, krijgt het hout van de wondereik ten geschenke en laat er tientallen beeldjes uit snijden, naar het model van dat van Scherpenheuvel. Dergelijke beeldjes zijn overal terechtgekomen: Frankrijk, Canada, India, Engeland, Duitsland, Nederland. Al in 1603 wordt het houten gebouwtje vervangen door een stenen kapel. Ook Isabella en haar echtgenoot Aelbrecht komen op bedevaart. Maar de oorlog woedt verder. De kapel wordt geplunderd, gelukkig was het beeldje tijdig in veiligheid gebracht. Als de Geuzen in 1604 uit hun laatste bastion in Oostende verdreven worden, schenken de landvoogden Aelbrecht en Isabella als eerbetoon en dank voor Maria’s militaire tussenkomst stadsrechten aan Scherpenheuvel.

Het vorstenpaar maakt plannen voor de bouw van een groots heiligdom, waaromheen de nieuwe stad zal ontstaan. Scherpenheuvel als hét katholieke bolwerk van de Zuidelijke Nederlanden, een stad als allegorisch eerbetoon aan de Maagd en Moeder Gods. De eerste steen voor de barokke koepelkerk, de huidige basiliek, wordt gelegd in 1609, de bouw is gereed in 1627, maar de toren zal nooit voltooid worden. Op de plek waar ooit de eik stond, verrijst nu het hoogaltaar. Aelbrecht maakt de inwijding niet meer mee, Isabella komt te voet van Diest naar Scherpenheuvel voor de plechtigheid. Na de dienst werpt ze haar juwelen op de trappen van het hoogaltaar, oorsprong van de traditie van geld gooien die tot op de dag van vandaag verder leeft. Het ontwerp van Wenceslas Coberger, de hofarchitect, is rijk aan symboliek. Zeven wegen leiden naar de kerk, het grondplan is een zevenpuntige ster, 298 zevenpuntige sterren sieren de enorme koepel. Zeven is een heilig getal en de ster staat voor Maria. Nog steeds kan men in de kerk, hoog boven het altaar, de vier meter hoge, bronzen afbeelding van de oude cultuseik bewonderen. Ook op een muur van de nabijgelegen oude waterput uit 1632 staat een oude stenen afbeelding van de eik met daarop een klein Mariabeeld. Scherpenheuvel toont dus mooi de verschillende stadia van het kersteningsproces van de oude heilige eik.

In de loop der eeuwen blijft Scherpenheuvel zijn aantrekkingskracht behouden. De Franse bezetting tijdens Napoleon verstoort het religieuze leven sterk, maar stad en heiligdom weten zich te herstellen en tot op vandaag is Scherpenheuvel het meest bezochte bedevaartsoord van Vlaanderen. Met familie of vrienden met de auto, in groep met de bus of te voet… ieder raakt er op zijn manier.

Ook Willebroek kent het ritueel van de voetbedevaart.  Op drie dagen tijd 110 km stappen is niet min. Het was pastoor Verbeeck die in 1955 samen met 28 moedige bedevaarders de aloude traditie hier nieuw leven inblies. Vertrekpunt was het houten Heilig Kruiskerkje, een huifkar met een dapper paard zorgde voor de bagage en deed dienst als bezemwagen. De groep bedevaarders groeide gestaag: 66, 76, zelfs tot 100. Eén paard werd vervangen door twee paarden, een tractor en later bestelwagens van sponsors. Op vrijdag 28 mei 2004 vertrok een gouden jubileumtocht met een 50-tal pelgrims. Het werd een mooie feesteditie met herinneringsmedaille. Ondertussen zijn we nu aan de 60ste bedevaart toe.

Een letterlijk ‘nachtje stappen’ met regelmatige halteplaatsen voor een drankje of een hap, reikhalzend uitkijken naar de koepel van de basiliek in de soms kille ochtenduren, de rozenkrans, kruisweg en eucharistieviering in de kerk, enkele uurtjes pitten en terug de baan op – met of zonder blaren - richting Willebroek én het zalige gevoel het weer een keer gerealiseerd te hebben, dàt zijn de ingrediënten van een doorsnee bedevaart.

 

Joomla! Foutopsporingsconsole

Sessie

Profielinformatie

Geheugengebruik

Database queries