KLOKKEN,   DE SOCIALE MEDIA IN DE KERKTOREN

De Kerk in Vlaanderen heeft eerlang beslist dat het aantal parochies hier zal dalen van 1 800 naar 400 – een zware en ingrijpende beslissing – met in zijn kielzog ongetwijfeld een aantal zwijgende klokken. De komende jaren zullen enkele honderden kerken een andere bestemming krijgen of gesloopt worden. Hiervoor zijn alvast veel praktische argumenten aan te voeren. Toch een kleine kanttekening hierbij.  Kan er geen onderscheid gemaakt worden tussen fusies en opheffing van parochies enerzijds en het sluiten van kerken anderzijds? Priestertekort kan reden zijn om een parochie op te heffen, maar niet om een kerk terug te brengen tot profaan gebruik, vrome en toegewijde leken kunnen immers effectief zorg dragen voor de kerk als gewijd gebouw en als teken van hun christelijke geloof, zoals in andere tijden en op andere plaatsen eeuwenlang gebeurde. Of er nu veel of weinig zondagsmissen worden opgedragen, of het kerkgebouw nog langer nodig is of niet, is in deze discussie eigenlijk irrelevant. Kerkgebouwen op zich maken deel uit van het materieel erfgoed van de West-Europeaan, gelovig of niet meer gelovig. Maar, gezien we eerder met een lijdende dan strijdende kerk te maken hebben, zullen vermoedelijk in veel kerken de klokken niet meer geluid worden. Het klankenlandschap in Vlaanderen zal dus schraler worden. Niet iedereen zal dat erg vinden. Voor sommigen is klokgelui de opdringerige manifestatie van een katholieke Kerk op haar retour. In die visie vervalt de rol van de klok zodra het kerkgebouw geen liturgische functie meer heeft. Maar velen voelen het anders aan. De klank van de klok maakt immers deel uit van ons collectief geheugen.

Al sinds de vroege middeleeuwen luiden klokken in Europese torens. Aanvankelijk waren ze de onverbiddelijke stem van het kerkelijke en burgerlijke gezag en hun boodschappen waren voor iedereen duidelijk: ‘Bid!’, ‘Blus!’, ‘Te wapen!’ of ‘Straks terechtstelling op de markt – aanwezigheid verplicht!’ Vanaf de veertiende eeuw dienden de klokken ook voor de openbare tijdsmeting. Vanaf de zestiende eeuw stak men een tandje of liever een klokje bij toen rijkere steden, die ook sterk stonden in de weef- en textielindustrie, hun belforten en kerktorens niet alleen voor het oog verfraaiden maar er een beiaard aan toe voegden. Eeuwenlang functioneerde de westerse samenleving op het ritme van de klokken. Een echo daarvan klinkt door in de nieuwe betekenis die het woord ‘klokkenluider’ de jongste jaren gekregen heeft. Ook nu hun functionele rol is verwaterd tot een vage herinnering, blijven klokken inspelen op onze emoties. Hun klanken ritmeren dagen en weken, versterken de ruimtelijkheid van het landschap en creëren – bewust of onbewust – een ‘thuisgevoel’. Zo bepalen ze mee de identiteit van leefomgevingen.

De nakende kerkensluiting geeft lokale gemeenschappen de kans om creatief na te denken over de toekomstige rol van hun klokken. Klokken kunnen relevante lokale gebeurtenissen aankondigen of accentueren, zoals het einde van de werkweek, het begin van de wekelijkse markt of de overwinning van een lokale sportclub of muziekmaatschappij. De sociale werking van klokken zou nog krachtiger worden als ze met een touw geluid worden in plaats van met luidmotoren. In Vlaanderen wordt dit nog maar op een handvol plaatsen gedaan. Gelukkig is de traditie van het manueel klokkenluiden in 2012 op de inventaris voor immaterieel cultureel erfgoed geplaatst. Hopelijk krijgen meer plaatselijke gemeenschappen de komende jaren goesting om weer samen de klokken te luiden. Zo blazen ze de oudste vorm van sociale media nieuw leven in – en een fitnessbeurt krijgen ze er gratis bij.

Hoe is het gesteld met het klokkenbestand hier ter plekke?Niklaaskerk telt drie klokken. De oudste klok werd in 1682 door Melchior de Haze van Antwerpen gegoten. Het palmares van deze man is niet min.

De Antwerpse klokkengieter Melchior de Haze werd in 1632 te Antwerpen geboren en stierf aldaar in 1697. Ofschoon het absolute bewijs ontbreekt, is het vrijwel zeker dat hij een leerling der Hemony’s was. Zijn oudst bekende klok dateert uit 1659. De Haze verwierf grote bekendheid door enkele spectaculaire beiaarden, onder andere voor het Escorial (1674) nabij Madrid en de Halletoren te Brugge (1676). Beide zijn inmiddels verdwenen. Ook goot hij de nog altijd bestaande beiaarden voor Alkmaar, Gorinchem, Salzburg enz. Met het carillon uit 1686 voor Den Haag zou hij grote problemen ondervinden. Hoewel zijn beiaarden uitstekend gestemd zijn, kleven er toch bezwaren aan. Meerdere klokken missen de sonoriteit van Hemony-klokken. Oorzaak is zeker niet onjuist klokkenbrons, doch wel een falende giettechniek waardoor bijvoorbeeld het brons met koperoxiden verontreinigd wordt. In Den Haag bracht hem dit in grote moeilijkheden. Een jarenlang slepend proces was er het gevolg van, overigens zonder een bevredigende afloop voor De Haze. Na zijn dood werd een in 1689 gegoten beiaard nog aan Brussel verkocht. Deze is reeds lang weer verdwenen. De Haze is verder nog bekend door de Zegeklok uit 1680 in de Brugse Halletoren. Deze luidt elk jaar tijdens de H.Bloedprocessie. De Haze heeft geen geschut gegoten. Hij was echter contrewaerdyn van syne Mayesteyts Munte, controlerend muntmeester.’

Tijdens de Franse Omwenteling (1789) ontsnapte de 1600 kg wegende klok bij wonder aan vernieling. In 1934 scheurde ze echter en werd ze opnieuw gegoten. De twee andere klokken dateren uit 1804 en waren afkomstig uit de gieterijen van Van Ghyen in Leuven: een klok van 750 kg en een Angelusklokje van ongeveer 100 kg. Ze werden na de Franse Revolutie gegoten om de oudere, die weggehaald werden, te vervangen. De elektrische kracht voor het luiden van de klokken werd vanaf juli 1913 toegepast. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de zware klok van Melchior de Haze spijtig genoeg opgeëist, stukgeslagen en hersmolten tot oorlogstuig. Op 10 juni 1951 werd ze vervangen door een 1450 kg wegende nieuwe klok, ingezegend door monseigneur Suenens, de toenmalige hulpbisschop en latere kardinaal.

Tot slot. We horen de klok dagelijks luiden als ze het uur slaat, we horen haar oproepen tot een uitvaart, ze klinkt na het In Paradisum, ze galmt uitbundig bij een bruiloft. Verdriet en vreugde, het  ritme van alledag, dàt is de gedragen stem van de torenklok.

Bronnen: De Standaard 4.12.2013 Luc Rombouts, Beiaardier van KU Leuven en de stad Tienen; André Lehr, Van paardebel tot speelklok. De geschiedenis van de klokgietkunst in de Lage Landen Zaltbommel, 1971

 

 

40-DAGENTIJD| VASTEN

Wat is vasten? Twee boterhammen eten, naar de derde tasten, zegt de volkswijsheid. Doelbewust afzien van voedsel of andere genoegens, vertelt het woordenboek. Het zuiveren van het lichaam, het loskomen van het materiële, het zich openstellen voor de goddelijke boodschap, meent de kerk. Deze laatste visie is als een rode draad terug te vinden in diverse culturen en religies, zowel in een ver verleden als hier en nu. In vogelvlucht het begrip vasten binnen de joods-christelijke traditie.

Vasten was al bij de joden bekend: dagen van inkeer als herinnering aan of ter voorbereiding van belangrijke gebeurtenissen. Het Oude Testament noemt als belangrijkste vasten- en boetedag Jom Kippoer, de Dag der Verzoening, tot op vandaag gevierd. Ten tijde van Jezus was het onder de vrome joden gebruikelijk als teken van soberheid maandag en donderdag te vasten. Het Nieuwe Testament vertelt ons hoe Jezus in die traditie 40 dagen en nachten in de woestijn doorbrengt: voorbereiding van zijn leven onder het volk én een zich openstellen voor de kracht en de boodschap van zijn God.

De vroegchristelijke kerk nam de joodse praktijk om tweemaal per week een dag te vasten over, maar verschoof de vastendagen naar woensdag en vrijdag. Woensdag ter herinnering aan het verraad van Judas, vrijdag als verwijzing naar Goede Vrijdag. Sommige streken kenden zelfs een derde vastendag: zaterdag of maandag. Vasten als voorbereiding op Pasen werd vroeg in de tweede eeuw gangbaar. Het vasten beperkte zich tot de drie dagen voor Pasen, en na uitbreiding tot de volledige Goede Week. Pas aan het einde van de derde eeuw kleurde men de 40 dagen voor Pasen in als een doorlopende tijd van vasten en boete. Op vastendagen at men aanvankelijk pas bij zonsondergang (de vergelijking met de ramadan dringt zich op), later verschoof de kerk het tijdstip naar drie uur in de namiddag en vanaf de veertiende eeuw naar de middag. We mogen ook niet uit het oog verliezen dat de kerk door haar vastenperiode de moeilijke overgangstijd tussen winter en lente elegant een meerwaarde wist te geven. De oogst aan graan, noten en fruit, het gepekelde of gezouten vlees was met mondjesmaat opgegeten, de kippen nog niet aan de leg, het was woekeren met het voedsel dat nog voorhanden was. Met de ruggensteun van de kerk werd nood een deugd.

In het spoor van die vastentraditie ontwikkelde zich in de loop van derde en vierde eeuw binnen het christendom een nieuwe levenswijze: strenggelovige mannen trokken in navolging van Jezus de woestijn in, ze kozen voor een hard leven van eenzaamheid, armoede en gebed. Toen een aantal van deze asceten of heremieten mekaars gezelschap zochten, ontstonden leefgemeenschappen: de eerste kloosters, een fenomeen dat trouwens ook in andere culturen bestaat.  De gewone gelovigen ontsnapten niet en kregen hun deel van de onthouding. Vanuit Rome verspreidden zich de Quatertemperdagen: boete- en vastendagen ter heiliging van de vier jaargetijden. Quatertemper betekent immers ‘vier tijden/seizoenen’. Ze namen ongetwijfeld de plaats in van de heidense feesten gekoppeld aan het ritme der seizoenen. Per seizoenswissel namen de gelovigen drie boete- en vastendagen in acht:  woensdag, vrijdag en zaterdag. De Quatertemperdagen werden gehouden in de week na de eerste zondag van de vasten (lente), in de Pinksterweek (zomer), in de derde volle week van september (herfst) en in de week na de derde zondag van de advent (winter).  In hoeverre de gewone mens, die vaak in barre tijden moest trachten te overleven, zich rigoureus al deze voorschriften hield, is zeer de vraag.  Toch is het een absolute zekerheid dat het kerkelijk jaar het ritme en de kleur van de dagen en weken bepaalde. Vleesloze dagen, verstervingen of bannen van lekkere of plezierige zaken, oproep tot gebed, het was alomtegenwoordig. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) doofde deze traditie. Een zelfde weg verging het de vastenpraktijken die gebonden waren aan het toedienen van de sacramenten. Het gebruik om de hostie op de nuchtere maag te ontvangen, zit bij de ouderen onder ons nog stevig in het geheugen verankerd.

Het bevreemdt ons nu hoe de katholieke kerk tot ver in de twintigste eeuw vastgehouden heeft aan uitgebreide vastenpraktijken, gefixeerd in gedetailleerde voorschriften. Ze werden hier, ver van Rome, met de nodige zin voor souplesse toegepast, in zuiderse streng katholieke regio’s hadden ze een betere voedingsbodem en leven een aantal gebruiken verder. Denk aan Semana Santa in Sevilla of dichter bij ons de boetprocessie van Veurne. Vrijdag visdag, - en in de vasten kwam woensdag de vrijdag gezelschap houden - stond echter ook aan onze fornuizen buiten kijf. De gelovige werd geacht geen vlees van de dieren van het land te eten, om toch aan kracht en energie te komen waren vis of eieren het enige alternatief. Sommigen hielden er een levenslange ‘visallergie’ aan over. Het Vaticaans Concilie gooide de ramen open. Een aantal uitgeholde tradities werden tegen het licht gehouden. Hedendaagse inspiratie en de behoeften en noden van de tijd bliezen ze desgewenst nieuw leven in.

Wat rest is een andere invulling van het begrip ‘vasten’, een invulling die zowel het individu als de wereld nu ten goede wil komen. Vasten kan een persoonlijke weldaad zijn voor lichaam en geest. Mediaverslaving, frivole bijkomstigheden, dagdagelijkse sleur, het ongewilde dat ons leven wel leuk maakt maar ons doet indutten, in hoeverre houden ze ons in hun greep? Een dag zonder televisie, internet of een glas wijn kan confronterender zijn dan een garnalenslaatje. Vasten kan een weldaad zijn voor de onmiddellijke en verre omgeving. Wie zijn we, wat doen we hier, zitten we op het juiste spoor? Hoe verantwoord is onze voetafdruk: hoe beperken we onze negatieve impact op het milieu, op de andere aardbewoners, hoe brengen we de balans tussen de materieel gegoeden en diegenen die met lege handen in het leven staan terug een beetje meer in evenwicht? Te voet gaan, een winkelnamiddag schrappen, meer dan je overschotten delen, toch wel even luisteren naar het verhaal van die verwaaide illegaal, ook dit betekent in je vel snijden.Het aantal vastendagen is fel ingeperkt. De oude vastentijd die begint met het askruisje van Aswoensdag en eindigt met Pasen, noemen we tegenwoordig de 40-dagentijd. Voor wie de rekensom wil maken: 46 dagen min 6 vastenvrije zondagen is 40.  Als strenge vastendagen blijven Aswoensdag en Goede Vrijdag overeind. Alle vrijdagen blijven onthoudingsdagen, in te vullen aan de hand van bovenstaande tips of beter nog naar eigen godsvrucht en vermogen. Vasten en ontgiften, donderdag veggiedag, onthaasting, inperking van groei, twee dagen per week zonder alcohol, kiezen voor een meer sobere levensstijl, het zijn keuzes die meer en meer veld winnen in het leven van de ontkerstende westerling. Binnen de kerk en het geloof zijn het oude tradities met een extra dimensie.

 

40-DAGENTIJD| VASTEN

 

Wat is vasten? Twee boterhammen eten, naar de derde tasten, zegt de volkswijsheid. Doelbewust afzien van voedsel of andere genoegens, vertelt het woordenboek. Het zuiveren van het lichaam, het loskomen van het materiële, het zich openstellen voor de goddelijke boodschap, meent de kerk. Deze laatste visie is als een rode draad terug te vinden in diverse culturen en religies, zowel in een ver verleden als hier en nu. In vogelvlucht het begrip vasten binnen de joods-christelijke traditie.

 

 

Vasten was al bij de joden bekend: dagen van inkeer als herinnering aan of ter voorbereiding van belangrijke gebeurtenissen. Het Oude Testament noemt als belangrijkste vasten- en boetedag Jom Kippoer, de Dag der Verzoening, tot op vandaag gevierd. Ten tijde van Jezus was het onder de vrome joden gebruikelijk als teken van soberheid maandag en donderdag te vasten. Het Nieuwe Testament vertelt ons hoe Jezus in die traditie 40 dagen en nachten in de woestijn doorbrengt: voorbereiding van zijn leven onder het volk én een zich openstellen voor de kracht en de boodschap van zijn God. De vroegchristelijke kerk nam de joodse praktijk om tweemaal per week een dag te vasten over, maar verschoof de vastendagen naar woensdag en vrijdag. Woensdag ter herinnering aan het verraad van Judas, vrijdag als verwijzing naar Goede Vrijdag. Sommige streken kenden zelfs een derde vastendag: zaterdag of maandag. Vasten als voorbereiding op Pasen werd vroeg in de 2e eeuw gangbaar. Het vasten beperkte zich tot de drie dagen voor Pasen, en na uitbreiding tot de volledige Goede Week. Pas aan het einde van de 3e eeuw kleurde men de 40 dagen voor Pasen in als een doorlopende tijd van vasten en boete. Op vastendagen at men aanvankelijk pas bij zonsondergang (de vergelijking met de ramadan dringt zich op), later verschoof de kerk het tijdstip naar drie uur in de namiddag en vanaf de 14e eeuw naar de middag. We mogen ook niet uit het oog verliezen dat de kerk door haar vastenperiode de moeilijke overgangstijd tussen winter en lente elegant een meerwaarde wist te geven. De oogst aan graan, noten en fruit, het gepekelde of gezouten vlees was met mondjesmaat opgegeten, de kippen nog niet aan de leg, het was woekeren met het voedsel dat nog voorhanden was. Met de ruggensteun van de kerk werd nood een deugd.

 

In het spoor van die vastentraditie ontwikkelde zich in de loop van 3e en 4e eeuw binnen het christendom een nieuwe levenswijze: strenggelovige mannen trokken in navolging van Jezus de woestijn in, ze kozen voor een hard leven van eenzaamheid, armoede en gebed. Toen een aantal van deze asceten of heremieten mekaars gezelschap zochten, ontstonden leefgemeenschappen: de eerste kloosters, een fenomeen dat trouwens ook in andere culturen bestaat.  De gewone gelovigen ontsnapten niet en kregen hun deel van de onthouding. Vanuit Rome verspreidden zich de Quatertemperdagen: boete- en vastendagen ter heiliging van de vier jaargetijden. Quatertemper betekent immers ‘vier tijden/seizoenen’. Ze namen ongetwijfeld de plaats in van de heidense feesten gekoppeld aan het ritme der seizoenen. Per seizoenswissel namen de gelovigen drie boete- en vastendagen in acht:  woensdag, vrijdag en zaterdag. De Quatertemperdagen werden gehouden in de week na de eerste zondag van de vasten (lente), in de Pinksterweek (zomer), in de derde volle week van september (herfst) en in de week na de derde zondag van de advent (winter).  In hoeverre de gewone mens, die vaak in barre tijden moest trachten te overleven, zich rigoureus al deze voorschriften hield, is zeer de vraag.  Toch is het een absolute zekerheid dat het kerkelijk jaar het ritme en de kleur van de dagen en weken bepaalde. Vleesloze dagen, verstervingen of bannen van lekkere of plezierige zaken, oproep tot gebed, het was alomtegenwoordig. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) doofde deze traditie. Een zelfde weg verging het de vastenpraktijken die gebonden waren aan het toedienen van de sacramenten. Het gebruik om de hostie op de nuchtere maag te ontvangen, zit bij de ouderen onder ons nog stevig in het geheugen verankerd.

 

 

Het bevreemdt ons nu hoe de katholieke kerk tot ver in de 20e eeuw vastgehouden heeft aan uitgebreide vastenpraktijken, gefixeerd in gedetailleerde voorschriften. Ze werden hier, ver van Rome, met de nodige zin voor souplesse toegepast, in zuiderse streng katholieke regio’s hadden ze een betere voedingsbodem en leven een aantal gebruiken verder. Denk aan Semana Santa in Sevilla of dichter bij ons de boetprocessie van Veurne. Vrijdag visdag, - en in de vasten kwam woensdag de vrijdag gezelschap houden - stond echter ook aan onze fornuizen buiten kijf. De gelovige werd geacht geen vlees van de dieren van het land te eten, om toch aan kracht en energie te komen waren vis of eieren het enige alternatief. Sommigen hielden er een levenslange ‘visallergie’ aan over.

 

 

Het Vaticaans Concilie gooide de ramen open. Een aantal uitgeholde tradities werden tegen het licht gehouden. Hedendaagse inspiratie en de behoeften en noden van de tijd bliezen ze desgewenst nieuw leven in. Wat rest is een andere invulling van het begrip ‘vasten’, een invulling die zowel het individu als de wereld nu ten goede wil komen.

 

 

Vasten kan een persoonlijke weldaad zijn voor lichaam en geest. Mediaverslaving, frivole bijkomstigheden, dagdagelijkse sleur, het ongewilde dat ons leven wel leuk maakt maar ons doet indutten, in hoeverre houden ze ons in hun greep? Een dag zonder televisie, internet of een glas wijn kan confronterender zijn dan een garnalenslaatje.

 

Vasten kan een weldaad zijn voor de onmiddellijke en verre omgeving. Wie zijn we, wat doen we hier, zitten we op het juiste spoor? Hoe verantwoord is onze voetafdruk: hoe beperken we onze negatieve impact op het milieu, op de andere aardbewoners, hoe brengen we de balans tussen de materieel gegoeden en diegenen die met lege handen in het leven staan terug een beetje meer in evenwicht? Te voet gaan, een winkelnamiddag schrappen, meer dan je overschotten delen, toch wel even luisteren naar het verhaal van die verwaaide illegaal, ook dit betekent in je vel snijden.

 

Het aantal vastendagen is fel ingeperkt. De oude vastentijd die begint met het askruisje van Aswoensdag en eindigt met Pasen, noemen we tegenwoordig de 40-dagentijd. Voor wie de rekensom wil maken: 46 dagen min 6 vastenvrije zondagen is 40.  Als strenge vastendagen blijven Aswoensdag en Goede Vrijdag overeind. Alle vrijdagen blijven onthoudingsdagen, in te vullen aan de hand van bovenstaande tips of beter nog naar eigen godsvrucht en vermogen.

Vasten en ontgiften, donderdag veggiedag, onthaasting, inperking van groei, twee dagen per week zonder alcohol, kiezen voor een meer sobere levensstijl, het zijn keuzes die meer en meer veld winnen in het leven van de ontkerstende westerling. Binnen de kerk en het geloof zijn het oude tradities met een extra dimensie.

 

 

LICHTMIS

 

Maria Lichtmis of kortweg Lichtmis is een oeroud en daarom vrij complex feest. In de kerkelijke traditie is dit het laatste feest verbonden met Kerstmis. Het wordt gevierd op 2 februari, 40 dagen na Kerstmis. Tegelijkertijd is het ook een Maria-, een licht- en een kinderfeest.

 

Lichtmis is een feest in het spoor van Kerstmis. Naar analogie met de gewoontes van de oude Kerk van Jeruzalem herdenken we hoe Jezus, zoals de Joodse wet voorschrijft, 40 dagen na zijn geboorte in de tempel aan God wordt opgedragen. De Wet des Heren schrijft voor dat de eerstgeborene van het mannelijke geslacht aan de Heer moet worden toegewijd dit samen met een offer van een koppel tortels of jonge duiven.  In het verslag van de evangelist Lucas (2:22-35) staat de ontmoeting van de wijze Simeon en de profetes Hanna met het kindje Jezus centraal. Het doet denken aan het Driekoningenverhaal. Zowel de drie Wijzen als de tempeldienaars Simeon en Hanna herkennen in Jezus iets heel bijzonders. De Magiërs hebben een lange weg moeten afleggen om bij de stal te raken, het bejaarde echtpaar Simeon en Hanna heeft veel geduld moeten oefenen voor ze de lang verwachte Messias als kind in hun armen kunnen sluiten. Het zijn geen engelen of stemmen uit de hemel die de goddelijkheid van het kind verkondigen, maar vastberaden mensen.

 

Lichtmis is een Mariafeest. Volgens dezelfde Joodse traditie moet een vrouw veertig dagen na haar bevalling een reinigingsritueel ondergaan in de tempel. Dit klinkt nog door in de Latijnse naam  ‘In puricifatione Beatae Mariae Virginis’ of het feest van de zuivering van de zalige maagd Maria. De tempelgang van Maria heeft onze streken tot de traditie van de kerkgang geïnspireerd. Deze zegening wordt voor het eerst in de 11e eeuw in Duitsland vermeld ofschoon de gewoonte al in de 9e eeuw bekend moet zijn geweest. In de katholieke traditie gaat het echter niet om een soort reinigingsritueel. De kerkgang was het eerste kerkbezoek van de moeder. Ze werd dan gezegend door de priester, een kaars in haar linkerhand en het kindje en de stool van de in het wit geklede priester in haar rechterhand. Bij een zijaltaar werd er dan gebeden. De jonge moeder kreeg soms een witte sluier omgelegd,  het kindje een scapulier. De kraamvisite (het bezoek van de buurvrouwen na de eerste kerkgang van de kraamvrouw) had in de volksmond verschillende benamingen: kindjeskermis, elders wievemoal (Drenthe), wivedei (Friesland), koffiebale (West-Vlaanderen). De kerkgang raakte in onbruik in de jaren 1960. Een poging tot herwaardering van deze traditie is een kerkelijke plechtigheid met het geven van de kinderzegen aan de dopelingen van het voorbije jaar.

Lichtmis is letterlijk hét feest van het licht: eertijds een dag van kaarsenwijding en kaarsjesprocessies. In vele talen verwijst de naam van Lichtmis trouwens rechtstreeks naar kaarsen, zo is er het Zweedse Kyndelsmässodagen en het Franse Chandeleur. Verder is er de gelukkig makende terugkeer van het licht na de donkere december- en januarimaanden, een glimp van het einde van de winter of liever het aarzelende begin van de lente.

 

 

De vroegste verwijzing van een ‘Lichtmisviering’ werd opgetekend door een pelgrimzuster in 381-384. Ze meldt dat 14 februari plechtig gevierd werd in Jeruzalem met een processie naar de basiliek van het Heilig Graf, een homilie over het betreffende Lucasevangelie en een eigen liturgie. De datum van 14 februari toont aan dat in die tijd in Jeruzalem de geboorte van Jezus nog altijd op 6 januari (Epifanie) gevierd werd, een liturgische kalender die nog steeds door de Russisch-orthodoxe kerk gevolgd wordt. Het was de Romeinse keizer Constantijn de Grote (280-337) - de man die het christendom bestaansrecht gaf - die in zijn rijk voor een aantal kalenderaanpassingen zorgde. Zo verschoof hij de viering van de geboorte, Kerstmis, naar 25 december.Deze verschuiving paste perfect in de samensmelting van de oude religies met het christendom. De Latijnse landen vierden immers in die dagen de Dies Natalis Solis Invicti, de Dag van de Onoverwinnelijke Zon, de noordelijke Germaanse landen het Joelfeest. Lichtmis verschoof zo mee naar 2 februari. In één beweging maakte hij ook van de zondag de rustdag voor zijn hele rijk, kerkelijke en wereldlijke macht waren immers verweven.     In de Germaanse landen raakte Lichtmis inhoudelijk vermengd met het feest van de heilige Brigida. Haar verering is dan weer terug te voeren op die van de Keltisch-Ierse moedergodin  Brigit/d, die verchristelijkt werd tot de belangrijkste vrouwelijke heilige van de Ierse kerk, Sint-Brigida van Kildare, naamdag 1 februari.  De dagen rond Lichtmis vallen zo samen met  het scharnierpunt tussen het wintersolstitium of midwinter en de lente-equinox of het begin van de lente.

 

U ziet het, vanaf nu kijkt u met nieuwe ogen naar Lichtmis, niet zomaar een vergeten feestdag op de liturgische kalender maar een datum met onvermoede facetten en een ijkpunt in de gang der seizoenen.

GOUD, WIEROOK & MIRRE

 

Goud, wierook en mirre… betoverende woorden, geschenken van de drie Koningen - de drie Wijzen (Grieks: magoi), Perzisch-Babylonische astronomen, astrologen - voor het Jezuskind in de kribbe, althans volgens het Matthëusevangelie. Caspar, Melchior en Balthasar zijn sinds de Middeleeuwen de namen waarmee we hen benoemen. 20+C+M+B+14, leest u wel eens in krijt op huisgevels in Duitsland of Oostenrijk. Sommigen herkennen daar de namen van de drie in. Fout gedacht, want CMB betekent hier ‘Christus Mansionem Benedicat’, wat zoveel betekent als ‘Christus zegene dit huis’. De plus staat voor een kruisteken, de twee voorste en de twee laatste cijfers vormen het jaartal. Het is een huiszegen met wijwater bij het begin van het nieuwe jaar in de hoop het kwade op afstand te houden, een teken dat op of naast de deur blijft staan tot Pinksteren of langer. Tegenwoordig is het ook het teken waarmee ‘die Sternsänger’ hun driekoningenzingen en -zegen markeren.

 

Legendevorming heeft het Matthëusverhaal uitgebreid. In de traditie van het  Westerse christendom zijn er drie Wijzen, een heilig getal, vastgesteld aan de hand van het aantal geschenken die ze meebrachten en gekoppeld aan de drie toen bekende werelddelen en de drie leeftijden van een man. Zo is er Melchior, een zestiger, blank en uit Europa, met als gift het kostbare goud. Balthasar, een veertiger, komt uit Azië met mirre en de jongste van de drie, de zwarte Caspar uit Ethiopië/Afrika offert geurige wierook. Over de vraag waarom juist deze geschenken aangeboden werden, bestaat onder deskundigen geen overeenstemming. Als God de Wijzen stuurde met hun giften, was dat omdat een droom Maria en Jozef vertelde te vluchten met hun kind. Hun bron van inkomsten moesten ze achterlaten en zo voorzag God in al hun noden. De eenvoudigste verklaring is dat goud, wierook en mirre de kostbaarste geschenken waren die men destijds in Arabië kon vinden. Anderen schrijven aan de geschenken ook een symbolische waarde toe: goud zou Jezus’aardse koningschap symboliseren, wierook - gebruikt bij offerrituelen - verwijst naar zijn goddelijkheid en mirre staat voor zijn status als Gezalfde of Messias. Overigens menen sommige onderzoekers dat de Wijzen geen goud, wierook en mirre meenamen, maar balsem, wierook en mirre. Die onduidelijkheid rijst omdat de woorden goud en balsem in het Arabisch dezelfde schrijfwijze kennen: dhb. Het past ook beter in het rijtje, het zijn immers alle drie plantaardige producten van een toch aanzienlijke waarde in die tijd.

 

Van deze drie geschenken is wierook het enige dat tot op heden prominent aanwezig blijft in onze kerk en zijn rituelen, en ruimer nog in alle huidige wereldgodsdiensten uitgezonderd de islam. Buigen we ons daarom even dieper over dit welriekende onderwerp.

 

Wierook (gewijde rook) is een verzamelnaam voor een mengsel van plantaardige delen die, na het aansteken, een doordringende geur verspreiden. In het Westen verstaat men onder wierook vaak de hars van de wierookboom, vooral de inheemse in Zuid-Oost-Arabië en Oost-Afrika, maar vaak is het een mengeling van diverse ingrediënten, van mirre tot honing, kaneel en jeneverbes. De Arabische wierook, de oorspronkelijke, bleef tot in de 20e eeuw even kostbaar als goud. Voor onze jaartelling vervoerde men deze al per karavaan of per schip tot in Indië en het Middellandse Zeegebied, vanwaar hij verder verhandeld werd. Sinds de oudste tijden brandden de meeste cultuurvolkeren wierook, harsen en geurige houtsoorten op hun altaren, zowel Romeinen als Grieken, Egyptenaren en de volkeren uit het Nabije Oosten. Het was vervoermiddel van offers en gebeden naar de hemel, een feestroes voor het volk, een bescherming tegen kwade krachten, kortom een eerbetoon aan de goden. Ook de Hebreeuwers gaven aan het reukwerk een bemiddelende functie tussen Jahweh en de mensen. Het maskeerde de indringende geur van dierenoffers en afgestorvenen. Oorspronkelijk nam de vroegchristelijke kerk die in hun ogen heidense traditie van het wierook branden niet over, rijkelijke geuren pasten niet in het ascetische levensfilosofie van de prille kerk, werden geassocieerd met wulps en werelds, dus verderfelijk. Maar als het christendom eind 4e eeuw in West-Europa gaandeweg de officiële staatsgodsdienst wordt, adopteert ze de ‘ketterse’ gewoontes van processies en de keizerlijke grandeur in haar liturgie. Welriekende stoffen voor het eigen plezier zijn uitgesloten, maar de middeleeuwse mens geniet wel van geur tout court. Kerken worden verlicht met kaarsen van geurige bijenwas. Geen gebedsdienst zonder wierook. Belangrijke bisschoppen worden in wolken van wierook ontvangen, doden erin begraven, verjaardagen van heiligen ermee gevierd. Relikwieën worden in schitterende en vooral geurende processies van de ene naar de andere stad gedragen, schrijnen en graftombes worden versierd met bloemen en geurige linnen doeken. Monniken stichten in ommuurde kloostertuinen heel voorzichtig een klein hofje van Eden. Hun tuinen staan vol met dille, tijm, rozemarijn en valeriaan. De kruiden worden vooral gebruikt voor hun geneeskrachtige werking: een kruidenbad is heel gewoon, ziektes worden uitgerookt met geurige houtsoorten. Welriekende bloemenslingers versieren de huizen, lavendel, marjolein en tijm worden op de vloer gestrooid om de geur van vocht en schimmel tegen te gaan, gedroogde lavendel en rozen horen thuis in de kledingkist.

 

En gezien de hoge prijs van de wierook maakt de dodencultus doorheen de tijden ook dankbaar gebruik van die andere aromatische kruiden. De overal groeiende, groenblijvende en welriekende rozemarijn is favoriet en staat borg voor onsterfelijkheid. De Latijnse dichter Vergilius (79-19 v.Chr) vertelt in zijn Aeneïs over het gebruik hiervan en deze gewoonte blijft vele eeuwen lang bestaan. Zelfs tijdens de pestepidemieën gebruikte men rozemarijn om de lucht te zuiveren, onder andere verwerkt in een mengsel met de poëtische naam ‘vinaigre de quatre voleurs’. Tot begin 19e eeuw legde men rozemarijntakjes in de kist, in het Engeland van de 20ste eeuw versierden rozemarijnplantjes de graven. Die traditie leefde ook in de Lage Landen zoals mooi wordt geïllustreerd in het gedicht Uitvaart van mijn dochterken uit 1633 van de Nederlandse dichter en schrijver Joost van den Vondel (1587-1679)

 

De speelnoot vlocht

Toen ’t anders niet moght sijn

Een krans van roosmarijn

Ter liefde van heur beste kameraat.

 

Bron: Marcel De Cleene, De Plantencode, betekenis van kruiden, struiken en bomen in de Europese volkscultuur, 2008, uitgeverij Davidsfonds en Karin Swiers-Hans Westerling, Parfum, idem

Joomla! Foutopsporingsconsole

Sessie

Profielinformatie

Geheugengebruik

Database queries