SINT-NIKLAAS

 

Sint-Niklaas opent traditiegetrouw elke decembermaand. Maar… waar komt hij eigenlijk vandaan, is hij altijd die brave heilige met de lange witte baard geweest, en is hij overal even geliefd?

 

Als je in Vlaanderen de kerktorens telt, merkt je alvast zijn populariteit bij de parochiepriesters van weleer. In onze omgeving zijn er naast onze Sint-Niklaaskerk ook de buurkerken van Leest, Kapelle-op-den-Bos, Hemiksem en natuurlijk van de stad Sint-Niklaas. In de ruime omgeving wordt het een heuse opsomming: Aaigem, Buggenhout, Brussel, Dessel, Diksmuide, Drogenbos, Gent, Gooik,  Ieper, Koolkerke, Keiem, Liedekerke, Locristie, Laakdal, Mesen, Meigem, Middelkerke, Moere, Morkhoven, Neerpelt, Neder-over-Heembeek, Niel bij As, Oostduinkerke, Perk, Pervijze, Putte, Rillaar, Rekkem, Slijpe, Terhulpen, Veurne, Westkapelle en de eerder onbekende Wimmertingen en Herfelingen.

Terug naar de heilige zelf nu.

 

Er is de historische figuur van Nicolaas de Wonderdoener geboren rond 280 in Patara aan de zuidkust van Turkije, gestorven in 342 of 352 in het naburige stadje Myra, waar hij bisschop was. In de 7e eeuw breidde zijn verering zich uit van Griekenland naar Rome en later in de 10e en 11e eeuw naar het noorden: Frankrijk, Duitsland, Engeland en de Nederlanden. Zijn schrijn is te vinden in de Sint-Nicolaasbasiliek in het Italiaanse Bari, die gebouwd werd nadat zeelui in 1087 de stoffelijke resten van Sint-Nicolaas overgebracht hadden uit het Turkse Myra. In 1997 vroeg Turkije Italië om de teruggave van de relieken, maar het verzoek werd afgewezen. Belangrijke elementen van ons Sinterklaasfeest gaan op deze man terug.

 

 

De meest bekende legende is het alombekende verhaal van de man die te arm was om zijn dochters een behoorlijke bruidsschat mee te geven. Zonder een ‘dot’ zouden de meisjes nooit kunnen trouwen, was hun toekomst vrijwel hopeloos. En kijk, tot driemaal toe werd een geldbuidel met goud door een open raam het huis binnengegooid, regelrecht in schoenen die voor de haard stonden te drogen. Een geldbuidel, een sinaasappel, een mandarijn, ze zijn rond en blinken. Het verhaal verklaart ook het zetten van een schoen, het strooigoed als nic-nacjes, de chocoladen figuurtjes en de munten. Een variante op de bruidsschatloze meisjes zijn drie studenten, vermoord door een herbergier, verborgen in een ton met pekel en door Sint-Niklaas weer tot leven gewekt.

 

 

In onze kerk beeldt de houten gebeeldhouwde preekstoel, waarvan de oudste onderdelen teruggaan tot de 18e eeuw, deze legende uit: een levensgrote Sint-Niklaas die met zijn gestalte de kuip van de kansel stut, links aan zijn voeten de tobbe met de kinderen, langs de afsluiting een engel met de kromstaf en een andere met zijn mijter, de bisschopsattributen. Ook tegen één van de pilaren aan de ingang van het koor staat een 17e eeuws stenen Sint-Niklaasbeeld op een sokkel, alweer met kuip en kindjes. Het rechterzijaltaar tenslotte is gewijd aan de patroonheilige. Hier hangt een prachtig doek van Cornelis Stut (17e eeuw) dat de verschijning van Sint-Niklaas aan keizer Constantinus voorstelt.

 

Het naamfeest van Sint-Niklaas is 6 december. Deze viering is in onze streken geleidelijk gegroeid uit en vervlochten met de viering van een Germaans feest: de Wilde Jacht van Wodan. De Wilde Jacht was in oude tijden de benaming en verklaring voor de stormachtige verschijnselen in de buurt van de kortste dagen van het jaar: een luidruchtige jachtstoet van gestorven voorouders en ‘zwarte’ krijgers aangevoerd door de Germaanse oppergod Wodan of zijn Noorse tegenhanger Odin op zijn achtbenig paard Sleipnir. Het lijkt voor de hand liggend dat elementen uit de Wilde Jacht later in de Sint-Niklaaslegende zijn verwerkt. De zak van Sinterklaas voor de ‘stoute kindjes’ heeft veel overeenkomsten met het berispingsrecht van Germaanse krijgersbonden, die zowel een opvoedende als corrigerende taak in de gemeenschap hadden. Het dodenleger van zwarte krijgers zou model hebben gestaan voor de Zwarte Pieten. Het zou tevens verklaren waarom Sinterklaas op een witte schimmel over de daken rijdt en pakjes in de schoorstenen gooit, wat in de winter met loeiend haardvuur niet de meest voor de hand liggende plaats is. Offers werden in het vuur gegooid, kinderen zetten hun schoentje met wortel of suikerklontje voor de schoorsteenmantel. En het witte paard heeft een evenknie in de Germaanse mythologie. Dit hoeft ons niet te verwonderen, in de beleving van het christendom zitten heel wat sporen van oudere religies, meestal vakkundig geïntegreerd, toegedekt en zelden toegelicht. Het bevestigt alleen de organische verbondenheid der dingen.

 

In de loop der tijden heeft het christelijke sinterklaasavontuur vele vormen aangenomen. Zo werd in de Middeleeuwen in de Noord-Franse en Duitse kloosterscholen een mirakelspel, theater avant la lettre, opgevoerd waarbij de Sint verscheen en hij de ijverige leerlingen beloonde en de luie vermaande.  Er was ook het fenomeen van de ‘kinderbisschop’ (ca.1300-1600): op 6 december werd een kindbisschop met aanhang verkozen, tot het feest van Onnozele Kinderen op 28 december kregen ze lekker eten en geschenken, andere kleinen kregen dan weer geld en een vrije dag. In Nederland zet men de schoen. In eerste instantie gebeurde dat in de kerk, de rijken toonden zich gul en de opbrengst was voor de armen. Uit archiefstukken blijkt dat vanaf 1427 in de Sint-Nicolaaskerk te Utrecht schoenen werden gezet op 5 december, pakjesavond. In de late Middeleeuwen ontstonden tevens de Sint-Nicolaasmarkten. Na het kerkbezoek kocht men geschenken en de speculaasvrijer was een karakteristieke gift. Als een meisje deze klaaskoek aannam van haar vriend, was dit een goed teken, een gewoonte die mogelijk teruggaat op de functie van Sint-Niklaas als ‘huwelijksmaker’ in de legende van de bruidsschatloze meisjes of op een nog oudere traditie tijdens het Germaanse zonnewendefeest. Na de reformatie probeerden protestantse predikanten het sinterklaasfeest af te schaffen, met weinig succes, het was immers bij uitstek het feest van de blinkende oogjes en stralende kindergezichtjes! Soms boeman, soms handige paraplu in onderwijs en opvoeding, soms gewoon de warme kindervriend, soms ietwat op de achtergrond, soms prominent en bijna maandenlang aanwezig in de maatschappij, Sinterklaas heeft vele gezichten. Of hij uit Spanje komt? De herkomst van dit feit is mogelijk louter een spel van associaties: kinderliedjes vertellen vanouds dat hij naar Spanje reist om lekkernijen, de stad Bari behoorde ooit tot het rijk van Aragon en in het Moorse Spanje kreeg een hulp of knecht gemakkelijk een kleurtje.

 

 

Sinterklaas wordt vrijwel in heel Europa gevierd, elk land legt zijn eigen accent.  In Vlaanderen krijgt hij op 11 november onder meer in de regio’s Aalst, de Westhoek en in het Mechelse concurrentie van Sint-Maarten of Sinte-Mette. In de Russisch-orthodoxe kerk wordt hij als Sint-Nicolaas gevierd als heilige van eerste rang, vaak uitgebeeld op iconen.

 

Eindigen we met het meest geliefde en gekende sinterklaasliedje. ‘Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan, hij brengt ons Sint-Nicolaas, ik zie hem al staan. Hoe huppelt zijn paardje het dek op en neer, hoe waaien de wimpels al heen en al weer. Zijn knecht staat te lachen…’ De kinderlijke verwachting, de zoetigheid, de geur van chocolade en sinaasappels, het witte paard,  Piet en de Sint, het feestgetwinkel… en dit allemaal in één gedichtje van onderwijzer Jan Schenkman (1806-1863), de eerste die de Sint uit Spanje deed komen.

ELEGIE VOOR EEN KERK

 

November is de maand van afscheid nemen: afscheid van de verre zomerdagen, de herfst, de zon en de tuin, het buitenleven. Afscheid van verloren geliefden met Allerheiligen en Allerzielen, en dit jaar in 2013 ook het definitieve afscheid van het kerkgebouw van de Heilige Familie.

Verloren geliefden: een  vader, een moeder, broers of zussen, een man, een vrouw, een vriend, misschien een kind. De tijd maakt ons schoorvoetend tot wees en weduwe, tot wie leeft met een lege plaats aan zijn zijde of aan tafel

.

Verloren kerk: er is geen weg omheen, na het ‘opheffen’ van de parochiegemeenschap komt ook het moment waarop het kerkgebouw daadwerkelijk uit het straatbeeld verdwijnt. Dit doet ons, mensen van de Heilige Familie, met heimwee en tristesse stilstaan bij een periode die onherroepelijk afgesloten wordt. De overstap naar een nieuwe gemeenschap is al even gemaakt, verliep voor sommigen mogelijk vlotter dan verhoopt, hoewel de drempel niet door iedereen overschreden werd. Nochtans is ‘terugkeer’ een woord dat hier beter past. Als we de geschiedenis van de Willebroekse parochies bekijken, zien we immers de Sint-Niklaaskerk als enig en centraal gebedshuis sinds de 12e eeuw. Zijn vrijwel unieke ‘peperbustoren’ is zichtbaar vanuit elke hoek van de gemeente. Bevolkingsaangroei in de 20ste eeuw zorgde net als overal in Vlaanderen voor opsplitsing van één naar drie parochies en bijgevolg voor de bouw van twee bijkomende kerken: de Heilige Familie in 1933, het Heilig Kruis in 1950. Het jaar 2012 betekende een terugkeer naar de uitgangsituatie, amper na 80 en 60 jaar naast elkaar bestaan. De redenen hiervoor zijn genoegzaam bekend. Historici zouden dit niet meer dan een kleine kanttekening, een zijsprongetje in de geschiedenis van Willebroek noemen. Wij, de parochianen van de Heilige Familie, kijken er met meer emotie tegen aan, simpelweg omdat deze periode een belangrijk deel van ons leven uitmaakt, ons té nauw aan het hart ligt.

 

Of je in de Tuinwijk, de Brandstraat, op de Rijweg of in ergens een straat tussenin woont, elk heeft wel zijn eigen herinneringen, zijn eigen band met het kerkske van de Dendermondsesteenweg. Je had grootouders die samen met pastoor Hendrickx en Vincent D’Heu geld voor het noodkerkje bijeen bedelden, dit in de moeilijke sociale omstandigheden van de jaren 1930. Je had een vader of een tante die wijkmeester van de Bond van het Heilig Hart was, je moeder was lid van de ontvoogdende  Vrouwengilde  of een van de dames van de Weeg en je nonkel organiseerde mee de legendarische Rijwegseptemberfeesten. Je zag de parochiezaal Den Brand en later de grotere en fraaiere Heilige Familiezaal steen voor steen opgebouwd worden, je stak hier of daar een hand toe al was het maar met kerstkaarten plooien, je voelde je er verantwoordelijk en thuis tijdens gulle feesten of etentjes van allerlei slag en oorsprong. Mogelijk heb je zelfs nog vage gedenkenis aan de oude zaal of aan de kleine bibliotheek annex spaarkas, die enkel zondags na de mis haar deuren opende. Of heb je herinneringen aan de juniprocessie met zijn schommelde heiligenbeelden, het baldakijn en de feestelijk uitgedoste priesters, het geprevel van gebeden, het witte strooizand, de kaarsen, de rondvliegende bloemblaadjes… voorgoed verdwenen bladzijden uit het Rijke Roomse leven. Jijzelf leerde lezen en rekenen in de Don-Bosco- of Sint-Lutgardisschool – de namen van de meesters en juffrouwen staan in je geheugen gegrift -, je kinderen beleefden er een fantastische kleuterschooltijd. Je leefde je uit in de Chiro van Hugo Daniëls en Charles Forton, een Chiro op een lossere leest geschoeid dan die uit de buurt: de zondagnamiddagbijeenkomst of de leiderskring, het jaarlijkse  tentenkamp in de Kempen of de Ardennen,  nu eens in de regen, dan onder een stralende zon, altijd tiptop! Op de koop toe drie augustusweken lang een onvergetelijke vakantie in Ravels: de kookmoeders en kampvaders, de gedreven leiders die onuitputtelijk bosspelen verzonnen, het knisperende kampvuur op de laatste avond, je kan er alleen met heimwee aan terugdenken, het zijn de dagen van weleer, vergankelijk als de barakken aan de Kampheide.

 

In de kerk beleefde je gelukkige en droeve dagen: je ouders trouwden er, je werd er gedoopt, deed er in een wolk van leuke bloemetjesjurken en ballonnen je eerste communie, werd er gevormd in het o zo strenge paterskleed, was misschien een engel in de kerststal. Je hoorde er de bruiloftsmars weerklinken en je nam er afscheid van je geliefden. Je zag priesters komen en gaan: mijnheer Willem uit Blaasveld met zijn krachtige tenor, directeur Verheyden, de beminnelijke pater Antonius die ieder wel in het hart sloot, de lachende zuster Cecilia en de fietsende Hubertine. Nooit ging je met meer plezier en overtuiging naar de kerk dan in de tijd van Charles Forton: hij ontrafelde het geloof en veegde spinnenwebben en stofnesten, vernislaagjes en obligate verordeningen weg, leerde je dat God de Vader geen tovenaar is die hoog in de hemel boven ons uit torent, maar dat de rijk van God mensenwerk is.

 

En de kerk zelf: ach, ze was in opzet niet meer dan een noodkerk: geen toren maar een enkele klok achter het kruis op de gevel, een eenvoudige structuur en vorm: simpelweg vier muren en een dak, eenvoudige glasramen, geen orgel als in een ‘grote kerk’, een minimum aan beelden en kleuren, twee sobere zijaltaren, een preekstoel puur functioneel. Ondanks het minimalistische opzet straalde ze een ongekende gastvrijheid uit, ook voor velen die buiten onze parochiegrenzen woonden. De nederigheid van het gebouw zorgde mogelijk ook voor een andere geloofsbeleving en kijk op kerk en maatschappij: een beetje alternatief, met een kritische, afstandelijke blik op kerkelijke hiërarchie en Rome.

 

Dit alles heeft ons, mensen van de Heilige Familie, gevormd tot wie we zijn. Het verdwijnen van deze plek noodzaakt ons om een bladzijde om te slaan, liefst zonder verbitterd stil te staan bij het onbehagen en de pijn van het verlies. Zoals bij het einde van een mensenleven resten er herinneringen om te koesteren, dankbaarheid voor de mooie intense ontmoetingen, voor de impact en verrijking van die tachtig jaren. Enige optie nu is om de kracht en de wijsheid die we samen verwierven te gebruiken in de dagen en situaties die voor ons liggen.

 

HEILIGEN ALS WEERGODEN

 

Een heerlijke nazomer kan de herfstige oktoberdagen opfleuren, ons nog een laatste maal intens laten genieten van zon, blauwe luchten, de gouden kleuren van de vallende bladeren en spitse najaarsgeuren. Deze heroplevingen van de zomer zijn zo opmerkelijk dat we er heuse namen voor hebben. Zo is een zomerse heropflakkering rond 29 september hier gekend als een Sint-Michielszomer. De Zweden noemen mooi nazomerweer Brittsommar, naar de heilige Brigitta, de Engelsen spreken van Saint-Luke’s little summer, de Fransen genieten van l’ été de Saint-Dénis en de Italianen van de zomer van Sint-Theresia. Minder fraai klinkt ‘oudewijvenzomer’ of Altweibersommer. Zowel de Germaanse als de Griekse mythologie kennen noodlotsgodinnen die de menselijke levensdraden spinnen, mettertijd verdrongen door het meer vriendelijke beeld van oude breiende vrouwtjes  die op hun  bankje in de zon genieten van de laatste stralen én van veldspinnen die bij rustig nazomerweer lange draden weven. Ook Rusland heeft zijn babje ljeto, vrouwenzomer. De Russische zomer is immers kort, een vergelijking met het geluk dat een vrouw in haar leven heeft!? En, ver weg van onze heiligentraditie, kent Noord-Amerika een Indian Summer of l’été indien.

 

 

Nostalgische herinneringen, die heiligendevotie, en toch heeft de tijd van toen zijn sporen nagelaten in onze taalschat. Het kan idyllisch lijken hoe het ritme van het leven ooit onlosmakelijk gekoppeld was aan het kerkelijk jaar en afhankelijk van de gang der seizoenen, maar we maken er ons beter geen illusies over. Met een goede oogst – te danken aan warmte en voldoende regen – zag het leven er rooskleurig of op zijn minst haalbaar uit, maar een koude lente met vorst, droogte, storm en overvloedige regenval konden oogst van hooi, graan, fruit en groenten behoorlijk laten mislukken, hongersnood en ellende, oorlog en dood betekenen. Monsantozaad en meststoffen lagen nog in de verre toekomst geborgen. Vandaar ook dat de primitieve boer zich aan elk strohalmpje vastklampte en aan de hand van wind en wolken bij momenten een letterlijk meer doorwinterde weersvoorspeller was dan Frank en Sabine. Niet altijd wetenschappelijk bewezen, wel betrouwbaar op korte termijn.

 

Een van de oudste en wellicht bekendste begrippen uit de volksweerkunde zijn de IJsheiligen. De berichten over deze ‘strenge heren’ dateren van rond het jaar 1000. De naam IJsheiligen komt van de naamdagen van Mamertus,  Pancratius,  Servatius en Bonifatius. De Duitstalige landen voegen er nog een dame aan toe: de koude Sophie. Zo overspande men de periode van 11 tot en met 15 mei. Maar vermits drie een heilig getal is, hield men het in de meeste landen op drie IJsheiligen, à la tête du client. De IJsheilgen ontlenen hun kille benaming aan het immer dreigend gevaar van koud voorjaarsweer  en nachtvorst, dodelijk voor het gewas dat in deze tijd in volle bloei staat.

 

 

En verder zijn er natuurlijk de weerspreuken en andere gezegden. Zij zijn uitingen die de link tussen data en heiligen of kerkelijke feestdagen bevestigen, of liever: de houvast, de greep die de plattelandsbewoner op zijn weersvoorspelling had. Een vaardigheid die wij gaandeweg kwijt raakten omdat ons leven zich naast de seizoenen afspeelt, zon of regen, het is niet meer dan een fraai decor geworden. Alleen de uitdrukkingen tout court overleven nog. Een groene Kerst en witte Pasen gaan hand in hand, net als maartse buien en  aprilse grillen. ‘Vliegen de zwaluwen hoog, dan is het weer schoon en droog. Vliegen ze laag, regen voor vandaag.’ Niet om ons te plezieren, wel op jacht naar de insectjes die afhankelijk van de weersomstandigheden al dan niet hoog boven het water vliegen. Het valt op hoe alert men was voor regen en wind in al zijn vormen: van een malse zomerregen die vruchtbaarheid bracht tot vernielende hagelstormen. Heiligen waren immers vaste markeringen op de kalender en door te kijken naar het gedrag van het weer op die dagen, probeerde men in vroeger tijden iets te zeggen over het weer van de komende periode. Zo lezen we voor oktober ‘Als het regent op Sint-Bamis (1 oktober), komt er een natte Kerstmis’ en ‘ Met Sint-Gal (16 oktober), blijft de koe op stal.’

 

En hemelse hulp inroepen om het weer te sturen? We durven nog wel eieren naar de Clarissen dragen als we hopen op een zonnige bruiloft, maar voor de rest zijn we ons vertrouwen in dergelijke ‘regendansjes’ kwijtgeraakt.

Er zijn nog geplogenheden die we folkloristisch verbinden met data uit de liturgische kalender. Zo stopt men in Klein-Brabant op Sint-Jan (24 juni) met het steken van asperges en omschrijft met het einde van de zomer met de uitdrukking ‘Met Kalfort Kermis is de winter in Coolhemdreef’. En wie eet er rond 2 februari geen pannenkoeken want ‘Met Lichtmis is er geen vrouwke zo arm, of ze maakt haar panneke warm’.

 

Onze taal is bijzonder rijk aan spreuken, gezegden en uitdrukkingen die wat met religie te maken hebben. En net zoals bij onze calvinistische noorderburen hun schat aan bijbelse uitdrukkingen niet meer tot ieders parate woordenschat behoort, zijn bij ons de bonte zegswijzen en spreuken die om de haverklap gehanteerd werden en ons leven verbonden met de heiligenkalender,  in onbruik geraakt. Wat rest? De scheurkalender De Druivelaar met zijn mand vol weetjes, nostalgische herinneringen aan de taal van onze grootouders, de heiligen die vanop hun sokkels in de kerk neerkijken en er allicht het hunne van denken.

HET VERRE ONTSTAAN  VAN  PAROCHIES

 

Iets vertellen over het ontstaan van parochies is niet evident. Het is maar bij hoge uitzondering dat er over het prille begin van een parochie eigentijdse getuigenissen en bronnen zijn.

 

WAT IS EEN PAROCHIE? De parochies zijn op lokaal niveau de oudste nog functionerende instellingen. Ze zijn in onze regio zeker 1000 jaar oud, geen enkele andere instelling kan op zo'n ouderdom prat gaan. De benaming bestaat nog altijd, de vraag is in hoeverre de inhoud van onze parochies nog  overeenkomt met die uit de Middeleeuwen. Dit is iets wat voor meerdere kerkelijke instituten geldt, zowel voor paus, als voor bisschop en priester.

Historici en canonisten onderscheiden vier wezenlijke, voor de hand liggende kenmerken die samen ook een definitie geven van wat een parochie was en is.

 

Het is in de eerste plaats een vaste bidplaats, een kerkgebouw met een eigen patrimonium. Een is duidelijk omlijnd territorium, oorspronkelijk bedoeld om de inning van de tiendenbelasting probleemloos te laten verlopen. Binnen de grenzen van de parochie werden deze inkomsten gebruikt voor de materiële uitbouw van de parochie en als vergoeding voor de bedienaars. Dat was althans de bedoeling van de Karolingische vorsten (8e-10e eeuw) die dit systeem invoerden. Een derde element is het beschikken over vaste bedienaars: de door de bisschop aangestelde pastoor met onderpastoor(s) en koster als eventuele helpers. Vier én van essentieel belang is natuurlijk de gelovige gemeenschap, eraan verbonden voor het ontvangen van alle sacramenten, met doop en begrafenis als belangrijkste.

 

Dit is een mooie definitie, de hoofdlijnen zijn nog bewaard al zijn enkele details doorheen de tijd vervaagd en lichtjes aangepast.  Het is ook niet altijd duidelijk of een bidplaats parochiekerk was of niet. Voor vele parochies hebben we maar zekerheid rond 1500 of nog later, terwijl we eigenlijk goed weten dat het parochiaal systeem dan reeds een eeuw of zes zeven functioneerde.

 

 

Een van de oudste degelijke bronnen die dit staven zijn oorkonden van de abdijen waarin hun bezit, zowel gronden, boerderijen als bidplaatsen in privileges, meestal pauselijke, bevestigd wordt. Er zijn er een paar uit het Karolingische tijdperk, maar vooral vanaf 1050- 1100 zien we massaal bidplaatsen in dergelijke oorkonden verschijnen. We verwijzen hier graag naar de oorkonden uit 1189, 1190 en 1192 die herinneren aan het altare van Willebroek. Altare, ecclesia, capella …, alle termen die verwijzen naar het begrip parochie.

 

DE KERSTENING gebeurde in onze streken laat en we zijn er bovendien slecht over ingelicht. Het christendom was in het Romeinse Rijk toonaangevend, werd in  zelfs eind 4e eeuw staatsgodsdienst, wat betekende dat alle andere godsdiensten in principe verboden werden, alleen is het zeer onduidelijk in hoeverre dit tot de uithoeken van het rijk - tot hier dus -  was doorgedrongen. Na de chaos waarmee de ineenstorting van het Romeinse Rijk (476) gepaard ging, kwam een groot Frankisch rijk tot stand. Eerst de dynastie der Merovingers (5e eeuw-751), later de Karolingers (751-987). De man die de kerstening in onze streken definitief maakte, is de welbekende Clovis. Volgens de legende riep deze Frankische vorst op het dieptepunt van de slag tegen de Alemannen in 496 de Germaanse oppergod Wodan aan om de overwinning te bekomen. Gezien dit niet hielp, richtte hij zich tot de god van zijn christelijke vrouw Clothildis. ‘God van mijn vrouw, als gij echt zo sterk zijt, kom mij helpen en laat mij winnen. In ruil hiervoor zal ik me bekeren!’ Het tij keerde als bij slag en met hem volgde de hele militaire aristocratie. Trouw aan de vorst viel samen met christen zijn, weinig diepgaande bekeringen, maar wel onomkeerbaar. Het was nu nog een kwestie van tijd vooraleer het christendom ook de lagere volksklassen zou bereiken. Toch liep het niet van een leien dakje: de mensen goten met de nodige onwil hun vertrouwde godheden in een christelijk jasje. Sommige ‘heidense’ riten werden geïntegreerd in de nieuwe christelijke godsdienst, er kwamen bidplaatsen op de sites van vroegere cultusplaatsen. De bisschoppelijke structuur raakte moeizaam gevestigd: Kamerijk, Doornik, Utrecht, het duurde tot ruwweg de 7e eeuw eer er van échte bisdommen sprake was.

 

 

Voor onze streken werd het de eeuw van de heiligen: Amandus en  Eligius uit het huidige Franse zuiden, Willebrordus, Bonifatius en Rumoldus uit de Angelsaksische landen. Het kwam de vorsten mooi uit: eenheid van godsdienst versterkte immers de eenheid van het land. De missionarissen zorgden voor de inplanting van kloosters, steunpunten voor de verdere missionering, die niet alleen bekering inhield, ook verbetering van landbouwmethodes, soms zelfs een eenvoudige vorm van onderwijs, economische groei en ontwikkeling dus. Het werd een langzaam proces dat zijn eerste voltooiing kende tegen begin 9e eeuw met de Karolinger Karel de Grote, de eerste keizer van het Heilig Roomse Rijk.  Er is een net van bidplaatsen, abdijen, kloosters, kapittels, kloosterscholen, dat nog steeds zeer ruw is, maar dat in de volgende jaren zal verfijnd worden.

 

Na Karel de Grote volgt een mindere tijd: politieke versnippering van het machtige Frankische rijk en de invallen van de Noormannen zorgden voor onrust en chaos. Het draait uiteindelijk uit op een opsplitsing in Frankrijk en het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie dat de keizerstitel erfde, een indeling die nog eeuwenlang zal nazinderen in de West-Europese geschiedenis. Vanaf de 10e eeuw volgt een geleidelijk herstel: de economie komt terug op gang, de bevolking groeit aan, dorpen krijgen vorm.

 

DE UITBOUW VAN HET PAROCIALE NET verloopt stapvoets. Het jaar 1000 situeert zich in de periode die men in de literatuur ‘eigenkerken’ (églises privées) noemt. Kerken zijn niet van de bisschop maar van de lokale grondbezitter. Dat kunnen particulieren zijn, leken of geestelijken, of instellingen zoals abdijen. Die bezitter kiest de bedienaar, de bisschop benoemt hem in ruil voor verheffingsgeld (redemptio altaris), de bezitter strijkt de inkomsten op: de offergaven en de tienden. De bedienaar, de pastoor, heeft recht op een inkomen: een deeltje van de tienden, de offergaven, bepaald door traditie en plaatselijke gewoontes. Het is immers de periode van de feodaliteit en ook de kerken maken er deel van uit. Je ziet zelfs een soort van kaste van religieuze families ontstaan, afkomstig uit de adel, die meerdere bidplaatsen gaat bezitten daaruit de inkomsten haalt, maar zelf niet bedient. Vaak hadden ze een prebende in één of ander kapittel wat toeliet die bidplaatsen ook van vader of zoon door te geven. Het celibaat werd tot het begin van de 12e eeuw vrij losjes nageleefd. Het systeem van grote lekenbevoogding klinkt ietwat vreemd in onze oren, maar was een formule die de kerken armslag gaf vlot te werken in een periode dat de abdijen niet altijd even strikt de oorspronkelijke leefregels volgden. Vanaf het midden van de 11e eeuw geraakt dit systeem onder druk. De Gregoriaanse hervorming (1049-1122), de grote herstelbeweging in de kerk, bestreed met ijzeren hand het ‘gesjacher’ in geestelijke ambten en een te losse levenshouding. Celibaatsverplichting en inquisitie zijn de kwalijke gevolgen, de bedelorden vinden hier hun oorsprong.

 

Op lokaal niveau werden massaal bidplaatsen aan kerkelijke instellingen als abdijen en reguliere en seculiere kapittels overgemaakt. Het is in die golf van overdrachten dat bidplaatsen, parochies, voor het eerst vermeld worden.

Voor de meeste regio’s is op dat ogenblik het parochiaal systeem quasi voltooid. Er komen nog wat parochies bij in de steden en sporadisch op het platteland. Het patroon is het volgende. Het initiatief wordt meestal genomen door de lokale gemeenschap of een aantal begoeden, meestal de lokale adel. Ze zorgen voor de materiële uitbouw: een gebouw, een inkomen en onderkomen voor de pastoor, en vooral ze sluiten een akkoord met de bezitter van de kerk, van de moederparochie. Als die voldoende compensatie krijgt, zijn inkomsten niet ziet dalen, dan is hij graag bereid om een nieuwe bidplaats toe te staan.

 

ALS EINDBESLUIT kunnen we stellen dat het ontstaan der parochies ons terugleidt tot de nevelen des tijds. De oudste bidplaatsen gaan terug tot de periode van de kerstening. Voor de Karolingische tijd moeten we echter niet spreken van een parochiaal net zoals wij het kennen. Het algemeen worden van de tiendeninning is ongetwijfeld een sterke stimulans geweest voor de parochie als instelling. De ouderdom van individuele parochies identificeren is bijzonder moeilijk. Sommige gebieden hadden tijdens de Karolingische tijd reeds een net van bidplaatsen, andere kenden een veel latere structuur. De eerste kernen zijn er zeker in de 11e eeuw, maar het zal nog enkele eeuwen duren vooraleer het hele net is uitgebouwd, volledig parallel met de ontginningen en de bevolkingstoename. In de praktijk kwamen nieuwe parochies vrij vlot tot stand zolang de ‘moederparochie’ er geen nadeel van ondervond. Dit leidde soms zelfs tot een te dicht, te optimistisch net, een beetje uit concurrentie met de andere bezitters van de parochies. Het toont aan dat het middeleeuws parochiale net vrij doeltreffend was.

En sindsdien zijn er heel wat eeuwen vergleden. Keizer-koster Jozef II kwam zich moeien en er was de Franse Revolutie en Napoleon, om maar enkele schokgolfjes te noemen. Het grondpatroon bleef desalniettemin intact. Momenteel beweegt de grond onder de voeten van menige parochie, maar dat is een ander verhaal.

 

OP TROT NAAR RELIGIEUS ERFGOED

 

Vakantie…een vanzelfsprekendheid of toch niet?

 

Hoever teruggaan in de tijd om sporen van vakantie te vinden in onze directe geschiedenis? Tot de periode waarin de huidige samenleving vorm kreeg? De Middeleeuwen dus.

 

De rijke erfenis die de volkscultuur in de Lage Landen achterliet, is het levend bewijs dat ‘vrije tijd’ een integraal deel uitmaakte van het levenspatroon van de middeleeuwse mens: de kerkelijke kalender met zijn rijke gamma aan heiligen- en feestdagen voorzag immers in een ruim aanbod aan rustperiodes. Heiligenverering op die dagen werd maar al te graag gekoppeld aan minder devote activiteiten: feesten, jaarmarkten, kermissen. - Kalfort Kermis is een mooi voorbeeld uit de buurt -. Iets meer begoede lieden trokken dan weer op bedevaart, naar Santiago de Compostella of naar Rome, de toeristische reizen avant la lettre of in sommige gevallen een boetetocht.

 

De lotgenoot uit de 19e eeuw was er minder goed aan toe: industrialisatie en opkomst van de kapitalistische samenleving doorbraken de eeuwenoude maatschappelijke structuren, vergelijkbaar met de toestanden waarin fabrieksarbeiders heden ten dage slaven in de derde wereld. De arbeider als goedkoopste schakel in het productieproces. De andere kant van de medaille was het ontstaan van een welgestelde burgerij van industriëlen en handelaars. In het spoor van de oude adel ruilden ze in de zomer hun stadse verblijven voor zomerresidenties op het platteland of gingen met de stoomtrein op reis naar de Italiaanse of Franse Rivièra. Maar de sociale ontvoogdingsstrijd hier en elders in Europa bracht geleidelijk verbetering: kinderarbeid werd in vraag gesteld, werkdagen krompen in en in 1938 is het recht op vakantie voor alle werknemers in dit land een feit. Braafjes naar de kust, een leuke uitstap naar de bergen, met het vliegtuig of te voet de wereld rond, ‘congé payé heeft vele gezichten.

 

En de schoolvakanties zoals we ze nu kennen? Wel, die gaan natuurlijk hand in met de wet op de leerplicht uit 1914, die meteen een definitief einde maakte aan de kinderarbeid. Voor boerenkinderen soms met een korreltje zout te nemen: oogst of andere drukte op het ouderlijke erf konden de schoolse verplichtingen wel even naar het tweede plan verwijzen. Eind 19e eeuw ontstaat ook het fenomeen van ‘vakantiekolonies’, oorspronkelijk bedoeld als opvang van arbeiderskinderen door liefdadigheidsorganisaties allerhande. Chiro- en jeugdkampen zijn een hedendaagse, succesvolle variante hierop, denk maar aan het welbekende Kasterlee of Ravels.

 

Bedevaarten en rondkijken in het religieuze erfgoed in de zomermaanden 2013 ... Wat is haalbaar?

 

Dat de meibedevaarten naar Scherpenheuvel nog steeds heel wat gedreven zielen aantrekken, bewijst dat deze traditie levend blijft, ook in Willebroek. Dit onderwerp is rijk genoeg om er de volgende lente een bladzijde aan te wijden.

 

 

Aanraders nu zijn de bedevaart naar Onze-Lieve-Vrouw ten Traan in Kalfort en de Maria Ommegang op zondag 25 augustus  http://www.kalfort.be/ommegang/meer/geschomm.php en een bezoek het stemmig devote kapelletje van de Veertien Bunders, in de schaduw van het Blaasveldse Broek  http://kapelletjes.blogspot.be/2007_10_13_archive.html. Voor sommigen zijn dit nostalgische herinneringen uit hun kindertijd, maar ze hebben een verrassende uitstraling tot in deze 21e eeuw.

 

En voor wie verder trekt, is er het interessante zomerinitiatief OPEN KERKEN, dat nu al zes jaar overal te lande kerken en kapellen gedurende de zomermaanden openstelt en passanten in de koelte en de stilte van de gebedsruimte een warm welkom heet. Meer info vindt u beslist op  http://www.openkerken.be/country.asp?menuParent=true, een degelijk uitgebouwde webstek die zeker een verkenning waard is. Twee interessante zaken willen we u alvast verklappen

.

In onze buurt ontwikkelde de stichting Open Kerken een boeiende erfgoedfietsroute ‘Heilig Harnas’ (34 km) in de streek van Temse en Hamme, het land van broeken, slikken en schorren waar de rivieren de Durme en de Schelde even vaak een vloek als een zegen bleken. Overstromingen waren schering en inslag, de kerk en de abdijen traden vaak op als beschermers: door inpoldering van het land, versteviging van de dijken, maar ook als mentale steun en troost. Dit blijkt uit de verering van de waterheilige Amelberga, een vrome vrouw uit Temse, en de talrijke kapelletjes (8) aan haar gewijd. Het is ook de regio van de zaligverklaarde priester Poppe, die opkwam voor armen en jongeren.

 

Verder loopt er tot 31 augustus  een interessante fotowedstrijd ‘Erfgoed in kleur’ voor alle liefhebbers van fotografie én met als onderwerp religieus erfgoed uit alle hoeken van het land. Mooi meegenomen toch?  http://www.openkerken.be/default.asp?structureID=173 

 

En tot slot dit: hoewel onze Sint-Niklaaskerk nog niet in het Open Kerkenaanbod is opgenomen, is de kerk in principe elke dag open van 9u tot 15u, behoudens onvoorziene omstandigheden.Vermits ze op een fietsroute ligt, komen geregeld vakantiegangers van elders de rust van dit gebedshuis opzoeken. Wat enkelen van hen in het gastenboek schreven, willen we u zeker niet onthouden.

 

‘ Met vijf dames uit Mol fietsen we van Wetteren naar Lier vandaag. We branden een kaarsje voor geen regen onderweg en een veilige thuiskomst.’

 

‘ Prachtige combinatie authentiek met modern, schitterende kerk met hemelse muziek.’

 

 

‘Wat een leuke kerk! Een voorbeeld voor heel Vlaanderen!!!’

 

‘Fijn dat deze kerk open is deze namiddag, Onze-Lieve-Vrouw…  Dag mama, ik mis je!’

Joomla! Foutopsporingsconsole

Sessie

Profielinformatie

Geheugengebruik

Database queries