’ T HUIZEKE - KASTERLEE

 

Wie die woorden uitspreekt denkt spontaan aan verlof, aan gezonde omgeving, aan sport en spel, in één woord aan jongeren die er een heerlijke vakantie meemaakten en nog beleven. En dat al 75 jaar lang! Velen kennen een deel van het ontstaan maar vooral de naam van de stichter is hen vertrouwd. “Z.E.H. Cleymans J, stichter en bezieler”. Zo staat het op een herdenkingsplaquette in het vakantiehuis Sint-Lutgardis. Een geschiedenis van een 75-jarig bestaan laat zich echter  niet herleiden tot één persoon. Daarom bij het begin van een nieuwe vakantieperiode enkele weetjes, een paar gebeurtenissen en nieuwsjes die de geschiedenis van ons vakantiehuis kleuren. Waar is het begonnen… Hoe is het gegroeid…Wat is er aan vooraf gegaan… Wat is het nu…

E.H. Jozef Cleymans, stichter en bezieler. Wie was hij?

 

Geboren te Turnhout in 1899 liep hij in zijn geboortestad college bij de Jezuïeten en was hij in zijn jeugd lid van de Turnhoutse studentenbond. Al vrij jong wees geworden, besloot hij, onder impuls van zijn oom-pastoor, priester te worden. Hij werd, na niet al te schitterende studies, in 1922 op 23-jarige leeftijd te Mechelen priester gewijd. Daarna was hij gedurende vijf jaar leraar aan het Onze-Lieve-Vrouwe-College te Vilvoorde. In dit college was hij de grote promotor en leider van de Eucharistische Kruistocht en viel hij op door zijn Vlaamsgezindheid, zijn radicale en schalkse houding en zijn sociale bewogenheid. In 1927 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Lambertusparochie te Ekeren. Vanaf 1930 was hij ook stichter-redacteur van “De Polderwacht”, een vooruitstrevend, christendemocratisch, strijdend katholiek en Vlaams weekblad.

 

In 1932 benoemde de aartsbisschop Mgr. Van Roey de 33-jarige J. Cleymans tot de nieuwe algemeen-secretaris van het JVKA (Jeugdverbond voor Katholieke Actie). Zijn rol in het JVKA, waarin de bestuurders van alle jeugdorganisaties vertegenwoordigd waren (KAJ met o.a. Cardijn, KSA, BJB, Patronaten…) zou ons in dit bestek te ver leiden. Voor meer informatie verwijzen wij naar de verhandeling die Erik De Smet maakte tot het behalen van zijn Licentiaatsdiploma Geschiedenis  aan de KU Leuven. (Vlaanderen voor Christus! Ontstaan en ondergang van het JVKA (1928-1971))

 

Op 14 september 1935 ontvingen alle JVKA-bestuurders een persoonlijke brief van J. Cleymans. De secretaris-generaal meldde zijn benoeming in een andere functie. Hij schrijft: “ al is de last die mij op de schouders wordt gelegd bijzonder groot, ik durf vertrouwen op de genade van Onze-Lieve-Heer, op de hulp van ons Lief-Vrouwke en de gebeden mijner vrienden om dit zielsverzorgend werk aan te vatten. Ik verberg trouwens mijn vreugde niet dat ik naar het parochiaal ministerie mag terugkeren”. Aartsbisschop Van Roey had hem benoemd tot pastoor van de Sint-Niklaasparochie te Willebroek. Voor die tijd een benoeming op zeer jonge leeftijd, zeker in een belangrijke parochie.

 

 

VAKANTIEHUIS SINT-LUTGARDIS

 

In de jaren 30 bestonden er reeds enkele vakantieverblijven waar jongeren gebruik van maakten. Het o.a. nu nog bestaande “Sint Willibrodusheem” te Schilde en natuurlijk ”Malpertuus te Geel Bel”, waar in de jaren ‘36 en ‘37 de eerste Willebroekse jongeren heen trokken. Maar Cleymans droomde van een eigen vakantiehuis en begon in Willebroek steun te zoeken.

 

Op 13 juni 1938 verscheen in het Belgisch Staatsblad de stichtingsakte van “VZW Katholiek Jeugd en Kinderwerk” waarvan J Cleymans, E. Schwagten en E. De Wachter de beheerraad vormden. Deze VZW had tot doel “kinderen een gezond verblijf te bezorgen in de opene gezonde lucht”. Op de studie van notaris Jansen in Lichtaart werd de aankoopakte getekend voor de aankoop van twee percelen bos samen 3.5 ha. De inhuldiging van het nieuwe vakantieverblijf  vond al snel plaats. Op zondag 17 juli 1938 om 17.30 uur overspoelden  een honderdtal genodigden uit Willebroek en een massa aanwezigen uit Kasterlee het gloednieuwe vakantiedomein. Na de inzegening van de gebouwen en een dankwoord aan de aannemer Willems uit Willebroek en zijn werklieden - in zes weken tijd stampten ze het vakantiehuis uit de grond - alsook aan allen die steun verleenden, was er een bezoek aan de lokalen. Een verslag in de krant vermeldde dat er in de refter aangeschoven werd aan “rustieke tafels. Er werd koffie en broodjes aangeboden en daarna een lekkere sigaar”.

 

De eerste verblijfsperiode voor de kinderen ging de dag daarna van start op 18 juli 1938. Drie jaar na zijn benoeming te Willebroek en twee maanden na de opening van het vakantiehuis zou Cleymans op 16 september 1938 overlijden te Luxemburg, na een auto-ongeval te Mondorf-Les-Bains, op weg naar Zwitserland. Hij heeft zijn vakantiehuis maar enkele malen kunnen bezoeken en het  zijn zijn opvolgers, en dan vooral E. Schwagten, die geld noch moeite spaarden om het “Huizeke” voor de parochie te bewaren.

 

Het verblijf was de eerste jaren naar onze huidige normen zeer sober. Bij de start was er geen algehele elektriciteit dus dienden petroleumlampen als verlichting, er waren geen matrassen dus werden boeren uit de omgeving aangesproken om strozakken te kunnen vullen, water diende uit een geboorde put opgepompt te worden en dus was een zwempartijtje in de Nethe een welgekomen verfrissing. Een kachel met kolen en dennentoppen, een gewoon gasvuur en enkele grotere branders buiten onder een afdak werden als “keuken” bestempeld. De eerste jaren verbleef er zelfs een gezin met kinderen in het nieuwe vakantiehuis. De oorlogsjaren maakten dat er bij heel wat boeren gebedeld moest worden om hongerige magen te vullen. Koningin Elisabeth van België bezocht er in het begin van de oorlog de soldaten die er gekazerneerd waren, het Canadese leger verbleef er na de bevrijding. Zelfs een periode van quarantaine hebben we er meegemaakt omwille van een besmetting met polio. Het is nauwelijks voor te stellen maar de Willebroekenaren bleven trouw naar Kasterlee gaan, elk jaar opnieuw, ook tijdens de oorlog. En het “Huizeke” groeide. Omdat het te klein werd, werd uitbreiden noodzakelijk. In 1950 werd “de kapel” gebouwd en dus kwam er een extra slaapzaal in het hoofdgebouw. De speelzaal bood beschutting in regendagen… Stilaan kon er ook gemoderniseerd worden. Waterleiding via Pidpa kwam er in het begin der jaren zestig en meteen de vraag naar een beter sanitair, een eerste toilet binnen naast de oude wc’s buiten uit de dertiger jaren, enkele douches… En dan een volgende vraag: waarom zulk een infrastructuur slechts twee maanden per jaar gebruiken? Tijdens de jaren 75-76 werd daarom aan het hoofdgebouw een sanitair blok gevoegd en een eerste verwarming geïnstalleerd. Wekenlang trokken ‘s zaterdags vrijwilligers naar Kasterlee om werken uit te voeren: elektriciteit, gas- en waterleiding, douchecabines en nog zoveel meer. Tijdens vakantieperiodes zoals Ons-Heer-Hemelvaart en Pinksteren gingen ganse gezinnen er heen om te schilderen en/of op te frissen terwijl hun kinderen naar hartenlust konden ravotten in de bossen. Het vakantiehuis kon ook beschikbaar gesteld worden voor andere jeugdgroepen, catechesegroepen, enz...

 

In 2003 werd een voor jeugdverblijven belangrijk decreet uitgevaardigd. In de werking van “Toerisme Vlaanderen” en “Toerisme voor Allen” werd een samenwerkingsakkoord getekend zodat steun voor zwakkeren in de maatschappij, waaronder ook de jongeren, mogelijk werd. In 2006 kregen wij de erkenning als vakantiehuis type B. Dit betekende de mogelijkheid tot subsidiëring van moderniseringswerken door “Toerisme Vlaanderen”. Daardoor kon het dak van het hoofdgebouw vernieuwd worden, het bijgebouw aangepast, de bouwvallige oude speelzaal vervangen door twee blokhutten, het verouderde sanitair vernieuwd, de verwarmingsinstallatie vervangen, slaapzalen heringericht enz… enz.

 

Naast de zorg voor de materiële verbetering van de accommodatie blijft het voornaamste echter een aangename en gezonde vakantie mogelijk maken voor jongeren. Talloze vrijwilligers hebben zich al die jaren ingespannen om dat te realiseren. Door hun gedreven inzet konden wij vorig jaar “75 jaar Kasterlee” vieren. J. Cleymans droomde van een vakantiehuis voor jongeren. Hij heeft het zelf niet meer kunnen beleven. E. Schwagten heeft die droom met de hulp van velen, jongeren en ouderen, tot werkelijkheid gemaakt.

 

Een typerende anekdote. Tijdens de viering van “75 jaar Kasterlee” getuigde de burgemeester: “ Als ik het woord “Kasterlee” uitspreek dan denk ik aan de gemeente waar ik woon, waar ik samen met schepenen verantwoordelijkheid draag. Doch als jullie datzelfde woord uitspreken dan denken jullie aan dit stukje Willebroekse grond hier in deze gemeente dat  uw “thuis” is.

 

foto's zie fotogalerij in de rubriek" Kasterlee"

 

 SINT-ANNA-TEN-DRIEENSint-Anna-ten-Drienbeeld

Een van de mooiste beelden die je in de Sint-Niklaaskerk aan kan treffen, is Sint-Anna- ten-Drieën, een 17e eeuwse of mogelijk nog oudere voorstelling van de Heilige Anna met haar dochter Maria en haar kleinkind Jezus en met in haar hand een druiventros. Het kleurige beeldhouwwerk dat vanuit een ver verleden enigszins mysterieus glimlachend op ons neerkijkt, bevindt zich in een nis naast het linker zijaltaar vooraan in de kerk.

 

De verering van Anna begint in de 5e-6e eeuw in het Midden-Oosten en komt al spoedig naar het Westen via Venetië en Rome. Ze bereikt haar hoogtepunt in de 15e eeuw. Anna wordt een van de meest bekende en geliefde heiligen. Haar verering neemt grootse vormen aan in het Rijnland en bij ons in de Nederlanden. Anna waakte immers over de vruchtbaarheid van het land in tijden dan een misoogst hongersnood en barre ellende tot gevolg kon hebben. Later komen er accentverschuivingen: Sint-Anna werd de patrones van weduwen, kleermakers en huisvrouwen. Ze werd aanroepen tegen bedwateren, een moeilijke bevalling, borst- buik- en hoofdpijn, koorts, pest, zweren, kiespijn en huiduitslag. Ook vrouwen die moeilijk in verwachting raakten, wendden zich tot haar. Volgens de legende was de moeder van Maria getrouwd met Joachim. Ze bleef net als Sara tot op hoge leeftijd kinderloos en beviel dan van een meisje, Maria. Aan het eind van de 15e eeuw zien we een explosieve productie van teksten die het levensverhaal en de mirakelen van Sint-Anna en haar familie uitvoerig beschrijven. Er ontstond een keur van liederen, gebeden, spreuken in verband met de devotie. ‘Help Sint-Anna u met derde’ of ‘Help Jezus, Maria, Anna’ moeten aan het eind van de Middeleeuwen de meest gehoorde schietgebedjes geweest zijn. Met die aanroeping werden Anna, Maria en Jezus om bijstand gevraagd op het moment dat de vereerders in nood waren. De Annaverering heeft van oudsher de typische trekken van een moedercultus. De afbeeldingen – zo ook deze in onze kerk – visualiseren de herkenbare en universele band tussen kind en moeder: warmte, veiligheid en geborgenheid.

Net als de devotie, was de manier van uitbeelden aan verandering onderhevig. Tijdens het hoogtepunt van de verering wordt de Sint-Anna op schilderijen en in beeldhouwwerken afgebeeld samen met haar kind Maria en haar kleinkind Jezus. Men noemt deze voorstelling: Anna-ten-Drieën: Anna met Maria en Jezus. Deze beelden laten Anna zien als een volwassen vrouw met Maria als klein meisje op haar arm, Maria op haar beurt draagt het kleine Jezuskind op haar schoot. Deze voorstelling gaf tot begin 16e eeuw het belang van Anna in het drietal Anna-Maria-Jezus aan: Anna was als grootmoeder van Jezus de belangrijkste figuur met een bijzondere macht als hemelse voorspreekster bij haar kleinzoon. Het beeld in onze kerk is  een typisch voorbeeld.

 

In de 16e eeuw verandert dat sterk: Maria wordt nu de evenknie van Anna en zit of staat als volwassen vrouw rechts van Anna met midden tussen hen in het Jezuskind. Deze wijziging gebeurt onder invloed van de Reformatie - een hervorming die begint rond 1517, opnieuw een zuiver en puur christelijk geloof wil en uitmondt in het protestantisme van Luther en Calvijn - . De glansrol van Anna lijkt voorbij.

Anna-ten-Drieën wordt ook wel de aardse Drie-Eenheid genoemd, Trinitas Terrestris, dit in tegenstelling tot de goddelijke Drie-Eenheid, Trinitas Caelestis, de Vader, de Zoon en de H.Geest. Na het concilie van Trente (1545-1563) wordt die titel gereserveerd voor de Heilige Familie: Jezus, Maria en Jozef.

 

En nu terug naar het Anna-ten-Drieënbeeld in onze kerk. Reeds in de periode 1651 -1655 vinden we in de verslagen van het bezoek van de toenmalige deken sporen die verwijzen naar de devotie voor de H. Anna. Een schilderij met de voorstelling van de H. Anna en Onze-Lieve-Vrouw werd vóór 1667 geschilderd door Coxie Michiel III (1603 – 1667) en in 1699 plaatste men een nieuw altaar voor de H. Anna. In het dagboek van pastoor Van Schaebroek vinden we de vermelding dat rond 1763-1766 twee “kaskens” voor de beelden van Onze-Lieve-Vrouw en de H. Anna - het beeld waarover deze tekst gaat - geplaatst werden. Deze beelden behoren tot de oudste kunstwerken van onze kerk en dateren vermoedelijk uit de 16e of 17e eeuw. Mogelijk behoorden ze tot de kunstwerken die rond 1603 kort na de godsdiensttroebelen van de tweede helft van de 16e eeuw, met financiële steun van Maria Luytgaerens, door de kerkmeesters besteld werden in het kader van de Contrareformatie, de tegenbeweging door de katholieke kerk. (Uit het bouwhistorisch onderzoek van de Sint-Niklaaskerk door Linda Van Langendonck)

Het hele verhaal maakt duidelijk dat Sint-Anna een vorm is van de warme moederfiguur die in alle religies onontbeerlijk is.  Een mooiere tweede beschermheilige van onze kerk kunnen we ons moeilijk wensen. Haar naamdag valt op 26 juli.

De foto’s op de webstek/fotogalerij zijn niet meer dan een eerste indruk. Neem de tijd, loop de kerk binnen, wandel tot bij het linker zijaltaar en ervaar de mystieke kracht en tijdloze rust die van deze Anna-ten-Drieën uitgaan.

 

Met dank aan E.H. Piet Abbeel

 

extra foto's in de fotogallerij

HISTORIEK SINT-NIKLAASKERK EN PAROCHIE

 

De Sint-Niklaaskerk herbergt momenteel de kerkgemeenschap van Willebroek-Centrum en Klein-Willebroek. De kerkstichting en –opbouw begon ergens in de 12e eeuw, leidde in de loop der jaren via heel wat architecturale ingrepen tot het huidige gebouw en bewandelde in de 20e eeuw zijwegen die in 2012 terug samenliepen.

Beginnen we bij de eerste steenlegging tussen 1140 en 1180, ruwweg 850 jaar geleden, wat de Sint-Niklaaskerk tot een van de oudste kerken van Vlaanderen maakt. In die tijd behoorde het toenmalige Willebroek tot het bisdom Kamerijk, een gebied dat samenviel met het woongebied van de Nerviërs. Het was het opzet van de Sint-Aubertusabdij uit Kamerijk een parochiekerk te bouwen voor de bevolking van Willebroek. Het werd een romaans gebouw met een centrale toren, opgetrokken uit witgrijze zandsteen met als bindmiddel leem. Als eerste beschermheilige werd Sint-Niklaas gekozen, als tweede de Heilige Anna, moeder van Maria. Aan beiden is nog steeds een zijaltaar gewijd.

 

In 1559 richtte de Spaanse koning Philips II, zoon van keizer Karel en heerser over de Nederlanden, een aantal nieuwe bisdommen op. Na enig getouwtrek kwam Willebroek onder het aartsbisdom Mechelen terecht. In 1600 – na de godsdienstvrede, die de bestaande kerken de vrijheid gaf te kiezen tussen de katholieke en calvinistische eredienst en als gevolg daarvan ontstane godsdiensttroebelen - werd de Sint-Niklaaskerk totaal verwoest. Enkel de toren en een paar restmuren bleven overeind. Herstellen en heropbouwen betekende de vroegmiddeleeuwse romaanse ronde vormen verwijderen en vervangen door meer eigentijdse en spitsere vroeg-gotische halfbogen. Uit deze tijd dateert het middengedeelte van de kerk, opgetrokken met herbruikstenen uit de bouwval.

 

Een tweede verbouwing volgde tussen 1733 en 1744: het huidige gewelf van de zijbeuken, een grotere sacristie en een nieuwe zijgevel. Het koor kreeg een 18e eeuws renaissance-altaar, het huidige hoofdaltaar.

In 1757 volgt een incident dat aanleiding werd tot een eigen parochiekerk voor Tisselt. De uitgesleten vloer en de ingemetselde grafstenen werden uitgebroken. Tisselt was het niet eens met de aanpak van de werken en weigerde  aanvankelijk bij te dragen in de kosten tot de adellijke heren van Grimbergen en Willebroek hun gezag lieten gelden.

In 1853 komt dan de verbouwing die de definitieve vorm geeft. Door de aanleg van de ‘Steenweg Willebroek-Boom’ wint de Dorpsstraat (huidige A. Van Landeghemstraat) aan belang én de kerk – 420 vierkante meters voor 3000 inwoners – was veel te klein geworden. De kerkstructuur wordt letterlijk op zijn kop gezet. Om ruimte te winnen wordt het hoogkoor opgebroken en vervangen door een ondiep voorportaal, de nieuwe ingang. De rest van de gewonnen ruimte wordt kerkplein met schaduwrijke lindebomen. Een nieuw hoogkoor (met meeverhuizend altaar) en een tweede kruisbeuk worden aan de andere zijde van de kerk aangebracht, zodat de kerk als het ware wordt omgedraaid. Altaar nu aan de westkant, ingang aan de oostkant, een opstelling die tegengesteld is aan wat de liturgie voorschrijft. De uitbouw gebeurt in rode baksteen. In de twee zijgevels zijn nog duidelijke sporen van de vroegere ingangspoorten afgetekend. Aan de 47 meter hoge eeuwenoude toren – in de Willebroekse volksmond ‘de peperbus’ – en de onderschragende kruisbeuk wordt niet geraakt. Zij gelden als het meest authentieke deel van de kerk.

 

Het kerkhof veranderde in de loop der jaren letterlijk in een tuin rond de kerk. Van oudsher werden de doden begraven rond de kerk, wie blauw bloed of geld had, geestelijke was, kreeg een grafsteen in de kerk. Een decreet van keizer-koster Jozef II in 1784 veranderde deze begrafenisgebruiken radicaal: bijzetten van doden in een religieus gebouw werd verboden, voortaan zouden nieuwe begraafplaatsen in gebieden buiten het centrum aangelegd worden.

En wat met de zijpaden uit de 20e eeuw? Omwille van de bevolkingstoename –  3 000 inwoners in 1850,  9 840 in 1900 en 13 890 in 1930 - werd Willebroek geleidelijk aan opgesplitst in vier parochies. In 1893 werd de parochie van Klein-Willebroek officieel erkend, in 1901 was de kerk Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt Ontvangen klaar. In 1933 kreeg de parochie H. Familie haar kerk aan de Dendermondsesteenweg, later uitgebreid met een kapel op de Rijweg. De H. Kruisparochie vond in 1950 eerst onderdak in een houten kerkje, dat na een verwoestende brand vervangen werd door een knap eigentijds kerkgebouw aan de Ringlaan. Tenslotte werd in 1959 het gebedshuis Sint-Jozef-Ambachtsman in de Rollierstraat gebouwd, bediend door de Sint-Niklaasparochie. De tijdsgeest, het dalend aantal kerkgangers en de vergrijzing van de pastores deden snoeien in erediensten en gebouwen. Het oudste gebedshuis, plek met een mystieke uitstraling, 850 jaar toevluchtsoord in wel en wee, is overeind gebleven als de open kerk voor de hele Willebroekse gemeenschap.

Tekst gebaseerd op werken van Karel De Decker.

 

 

 

DRIE OORKONDEN

HERINNEREN AAN DE SINT-NIKLAASKERK

 

Volgens C. Van Gestel, A. Wauters en A. Miraeus werd het altare van Willebroek in 1180 door bisschop Rogerus aan de Sint-Aubertusabdij van Kamerijk in eeuwig bezit gegeven. De oorkonde die dit zou moeten bewijzen, werd noch door Jan Verbesselt (Het Parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, deel IX), noch door ons teruggevonden. Wel troffen wij, in de “Archives départementales du Nord” te Rijsel, oorkonden van 1189, 1190 en 1192 aan, die ons aan Willebroek herinneren. Uit deze vrij goed bewaarde gebleven “perkamenten” blijkt overduidelijk dat de twee altaria van Willebroek en Vremde, voordat bisschop Rogerus beide aan de Sint-Aubertusabdij van Kamerijk schonk, in het bezit van Fulco, een kanunnik van de Metropolitaanse kerk van Reims waren geweest. Het gaat hier ongetwijfeld om een personaat, met twee Eigenkerken in privaat bezit, die in zelfde hoedanigheid aan de Sint-Aubertusabdij van Kamerijk werden overgedragen. Door deze overdracht werd de abt van Sint-Aubertus de persona van Willebroek, wat inhield dat hij een andere priester als bedienaar van Willebroek kon benoemen.

Oorkonde uit 1192 (Foto Bob Coecke). 

Tekst Karel De Decker

Joomla! Foutopsporingsconsole

Sessie

Profielinformatie

Geheugengebruik

Database queries