EEN LOGO VOOR PAROCHIE WILLEBROEK

 

  

Het is hier en daar al opgedoken, het nieuwe logo voor de nieuwe parochie Willebroek. Een hoopje kleuren, enkele vlakken, een woord… een geheel? Mogen we u overtuigen?

  

Water

Allereerst is er het water dat van Willebroek een kanaalgemeente in het Rivierenland maakt. Water brengt rust, openheid, weidse luchten en groen. Water geeft beweging en dynamiek: zeeschepen en aken passeren, mensen komen, blijven of gaan, brengen nieuwe ideeën en weten de waarde van traditie te bevestigen. In de getande golven van het water zitten sporen van raderen en wielen die machines in gang zetten, sporen van de 19e en 20e eeuwse industrie die het landbouwdorp Willebroek op de kaart plaatste.

  

Vier lokale gemeenschappen

De vier gelijke vierkanten stellen natuurlijk de vier lokale geloofsgemeenschappen Blaasveld, Heindonk, Tisselt en Willebroek voor. Om hen draait het tenslotte. Laat iedere gemeenschap er zijn voorkeurskleur maar uitpikken. De gustibus et coloribus non est disputandem of over kleuren en smaken valt niet te twisten. Samen vormen de vier vierkanten een kruis dat verankerd staat in het water. Onbewust onderhuids aanwezig. Hoop, geloof en liefde… kortom: God in ons midden.

  

De cirkel is rond

En waar zijn de kerktorens en de bruggen, een schitterend beeld van ontmoeting toch? We kozen voor een (bijna) cirkel, de rode letter O, de meest volmaakte vorm, symbool voor hemel, oneindigheid en spiritualiteit.

Op mensenmaat ook symbool voor samen-leven, ring en kring vormen, ondersteuning en schuilplaats, geborgenheid zonder uitsluiting. Deel uitmaken van de keten van het leven met zijn diverse schakels die soms wel maar vaak niet harmonieus in mekaar klikken. Het dagdagelijkse gekissebis overstijgen, in kleine stapjes naar mekaar toegroeien. Weten dat we allemaal hetzelfde nastreven: gelukkig zijn en anderen gelukkig maken, ook op de onrustige of rusteloze dagen.

Zo ontmoeten het tijdelijke en het eeuwige, het materiële en het diepere bewustzijn mekaar en is de cirkel rond.

Een kleine cirkel. Geef hem tijd om te groeien!

  

Het schip

En het beeld als geheel: een gastvrij schuitje, een zeewaardig schip, een boot vol nieuwe uitdagingen, soms simpelweg een vlot of een trekschuit,… Het is wat u ervan wil maken!

  

Tot slot

Tot slot een greep uit de woorden van paus Franciscus, van toepassing op de geloofsgemeenschap hier:

De kerk wordt gezonden om overal hoop te wekken, vooral daar waar deze hoop gewurgd wordt door moeilijke omstandigheden. Waar de hoop niet kan ademen, stikt hij. Er is nood aan de zuurstof van het Evangelie, aan de adem van de Geest van de Verrezen Christus.

De kerk is een huis waarvan de deuren altijd openstaan, niet alleen opdat elkeen er onthaal zou vinden en liefde en hoop kan inademen, maar ook opdat wij naar buiten zouden kunnen gaan om hoop en liefde te geven. De Heilige Geest vuurt ons aan om onze omheining te verlaten.

Het baat niet om zich in veel bijkomstige en overbodige zaken te verliezen. Het komt erop aan zich toe te spitsen op de fundamentele werkelijkheid. Het dringt ons nieuwe wegen te gaan, met moed en zonder te verstarren.’

 

 

HET KEPPELTJE VAN DE KARDINAAL

Tradities zijn soms verbazend jong. Het joodse keppeltje is amper een paar eeuwen oud en heeft katholieke roots.

 

Al van in de vroege Middeleeuwen was het de gewoonte dat priesters en monniken de bovenkant van hun hoofd kaalschoren. Dit “kapsel” heet tonsuur. De clerus toonde hiermee dat ze zich aan God onderwierp en hun leven volledig aan Hem toewijdde. Het kringetje haar dat op het hoofd bleef staan, suggereerde de doornenkroon. Een vergaande kaalheid is koud in de winter en biedt geen bescherming tegen de brandende zon in de zomer. Hier deed het kleine ronde hoofddeksel – heden ten dage vooral gekend in de vorm en onder de naam van het ‘keppeltje’ – zijn intrede. Hoewel de tonsuur geleidelijk aan kleiner werd en daarna met stille trom verdween uit de kerkelijke traditie en kapperskringen, bleef het ronde mutsje (pileolus) in. Vooral de paus, kardinalen en bisschoppen dragen het nog bij officiële plechtigheden, vaak verborgen onder mijter of bonnet.

Aan de kleur van de pileolus kan je net zoals bij de soutane de kerkelijke rang van de geestelijke herkennen. Een paus draagt wit, bisschoppen paars en priesters zwart. Ook bij het witte habijt van de paters norbertijnen, daarom ook witheren genoemd, hoort een wit mutsje. Kardinalen kiezen voor scharlakenrood: net als paars en purper een intense, exquise en dure kleur, geschikt voor hoge heren. Ook de kwaliteit en het materiaal spreekt voor zich: zijde voor de ‘prinsen’ van de kerk, wol en katoen voor de dienaren.

In kerkelijke kringen wordt de pileolus ook ‘solideo’ genoemd, een samentrekking van Soli Deo (letterlijk: alleen voor God). Het hoofddeksel wordt immers alleen afgenomen tijdens de consecratie, uit eerbied voor God. De volkse benaming is ‘kalotje’. Een ouderwets woord voor een fraaie bob of carré of een Jommekeskapsel, al naar de invalshoek.

 

Van het kalotje naar het keppeltje… In de joodse traditie moest oorspronkelijk alleen de priester een hoofddeksel dragen. Maar zoals in elke religie kan de tijdsgeest voor veranderingen en evolutie zorgen. Een slinger die beweegt van tolerant naar strikt in de leer en omgekeerd. In de Middeleeuwen werd het gebruik van een ‘hoedje’ gaandeweg uitgebreid tot alle joodse mannen. Het keppeltje, qua vorm ontleend aan het hoofddeksel van de bisschoppen, werd populair. Het dragen ervan is geen religieus gebod uit de Thora, de joodse leer. De reden staat in de Talmoed, de becommentariëring en verduidelijking van de joodse leer. ‘Bedek uw hoofd zodat de vrees van de hemel op u zal komen.’

De meeste rabbijnen zien het als een ‘minhag’, een traditioneel gebruik, iets wat gaandeweg de kracht van een wet heeft gekregen. Bij de niet streng-orthodoxe joden werd het keppeltje jarenlang enkel in de privésfeer gedragen: tijdens het gebed thuis en in de synagoge, op feestdagen, aan de Klaagmuur in Jeruzalem. Op het werk en in andere publieke ruimten werd dat zo typische joodse minihoedje steeds netjes in de binnenzak opgeborgen. Het is pas sinds de jaren ‘60, in een veranderende en meer open maatschappij, dat het keppeltje of de kippa ook buiten in het straatbeeld verschijnt. Het type keppel geeft aan bij welke beweging de drager hoort. Gekleurde, gehaakte keppels zijn modern-orthodox of religieus-zionistisch; zwarte keppels zijn charedisch. In Joods-Antwerpen wonen naar schatting circa 20.000 joden waarvan tussen 35 en de 40 procent van hen behoren tot de streng-in-de-leerstrekking. Religieuze aanhangers van dit charedisch jodendom zijn vaak visueel herkenbaar. Mannen dragen bij voorkeur een speciale lange jas, een bijzondere hoed en een zwarte keppel eronder. De lange loshangende pijpenkrullen zijn van kindsbeen af een sierlijk maar bizar onderdeel van hun kapsel.

In het straatbeeld zie je vooral in ramadantijden islamitische mannen op weg naar de moskee opduiken met een gelijkaardig hoofddekseltje. De achterliggende idee is ook hier net als in alle religies dezelfde: je hoofd bedekken uit eerbied voor een goddelijke macht.

 

 

VAN HEMELBOOM TOT HEMELSLEUTEL

 

Juli is dé maand van het buitenleven, van genieten van de pracht van groen en bloemen. Maar weet u ook dat heel wat plantennamen een band met het hemelse hebben?

 

Beginnen we met de grootste. Alle bomen reiken naar de hemel, maar de ene groeit al hoger dan de andere. Topper is de hemelboom (Ailanthus altissima) die tot 24 meter hoog wordt. Misschien herkent u hem niet onmiddellijk, maar mogelijk groeit hij in uw tuin of buurt, ongewild aangewaaid vanuit het verre China. Het eerste verwilderde exemplaren werden pas in 1952 in Vlaanderen waargenomen en zijn net als vele invasieve exoten aan een snelle opmars bezig.

In de eerste zomerdagen verschijnen in de graskanten de grote margrieten (Chrysanthemum leucanthemum), hét sjabloon voor kinderbloementekeningen. De oude volksnaam hiervan is sint-jansbloem. Net als het gele sint-janskruid of hersthooi (Hypericum perforatum) verwijst het naar Sint-Jan: het hoogtepunt van hun bloei valt samen met zijn feestdag op 24 juni. De afgelopen decennia heeft het gebruik van sint-janskruid een ware opleving gekend. Wegens zijn antidepressieve werking is het terug te vinden in heel wat homeopathische middelen die een dipje willen bestrijden.

Van sint-janskruid naar sint-jacobskruiskruid (Senecio jacobaea) is maar een kleine stap. Deze mooie gele weidebloem is niet direct de favoriet van paardenhouders. Net als alle kruiskruidigen bevat hij giftige stoffen. Vergiftiging van paarden kan optreden als hij in het hooi, bestemd als voer, terecht komt. Anderzijds is hij een niet te onderschatten bron van nectar en stuifmeel voor zo’n 150 insectensoorten. Zo vormt hij het voedsel van de zebrarups, de larve van de sint-jacobsvlinder, waaraan hij allicht ook zijn naam dankt.

Een andere Jacob is de lavendelblauwe jacobsladder (Polemonium caeruleum). De bloemen staan in tuilen tussen de lancetvormige blaadjes, die als treden van een ladder in paren naast elkaar staan. Vandaar de naam. En met de jacobsladder belanden we in het Oude Testament bij Aäron en Salomon. De aronskelk (Arum) hoeven we u beslist niet voor te stellen. De plant zou zijn Nederlandse naam hebben te danken aan het verhaal dat de bloem uit de staf van Aäron, de eerste hogepriester van het volk van Israël en broer van Mozes, is ontsproten. Tijden na Aäron kwam Salomon, koning en bouwer van de eerste tempel van Jeruzalem. De salomonszegel (Polygonatum) behoort tot dezelfde familie als de aspergeplant, maar is zoals zovele planten giftig. De naam heeft alleen indirect te maken met Salomon door de littekens die afgestorven bloemstengels uit vorige jaren op de wortelstok achterlaten. Vergezocht?

Een apart plantje is het duivelsnaaigaren (Cuscuta) of warkruid, een naam erg letterlijk te nemen. Het is ondertussen op de rode lijst beland. Het kluwen van takjes of draadjes doet sterk danken aan het irritante kleefkruid (Galium aparine) dat te pas of te oppas opduikt, meestal dan in gezelschap van netels en bramen. Van de duivel naar Judas is maar een kleine sprong. U kent beslist de judaspenning (Lunaria annua). De plant dankt zijn naam aan de zaaddoosjes die op zilveren penningen lijken. Judas Iskariot verraadde Jezus voor 30 zilveringen. Volgens sommige volkslegenden zou Judas toen hij zich verhing de zilverstukken onder zijn galg hebben weggeworpen. En daaruit groeiden dan de eerste judaspenningen. Blijven we nog even bij de judaslegenden, dan treffen we het judasoor (Hirneola auricula-judae), een zwam die bij voorkeur groeit op de vlier, de boom waaraan Judas zich verhing. En tegen de achtergrond van dezelfde Goede Week is er nog de christusdoorn (Euphorbia milii), een vrij gekende kamerplant, met scherpe doornen. In Noord-Amerika bestaat een niet-verwante soort als boom: torenhoog én met stekels, beslist geen lieverdje. Om de lijn van de kerkgeschiedenis af te ronden: de wilde kardinaalsmuts (Euonymus europeaus). De helrode kleur van de vruchtdozen en herfstbladeren is hier de link. De plant is gastheer van de kardinaalsmutsstippelmot. Verbaast het dat alle delen van deze struiken giftig zijn?

Distels: geen ‘evasieve exoten’, wel vervelende inheemse woekeraars die we liever kwijt dan rijk zijn. Toch slaagt er eentje de varen onder de vrome naam onservrouwendistel of mariadistel (Silybum marianum). Het is een elegante, sierlijke distel die bij ons niet in het wild voorkomt. En zijn kleur? Blauw natuurlijk. Een lieflijker mariaplantje is het bescheiden lievevrouwebedstro (Galium odoratum), een bodembedekker en ingrediënt voor een heerlijk meiwijntje.  Over het ontstaan van de naam lievevrouwebedstro doet de volgende legende de ronde: de heilige Anna, Maria’s moeder, maakte zich zorgen om haar slapeloos dochtertje. Geen enkele remedie scheen te helpen, tot ze een busseltje van het bedstroplantje in het wiegje legde. Maria sliep als een roos, als dank kreeg het plantje zijn mooie naam.

Een ander ‘gulden cruut’ is de engelwortel (Angelica) met zoals zovele planten tal van eigenschappen: middel tegen de pest in de Middeleeuwen, bron van geurige olie, geconfijte zoetigheid… Volgens de legende zou een engel die kennis ingefluisterd hebben. Zoals vele schermbloemigen kiemt de plant als gek. Zeker niét eetbaar maar ongelooflijk fraai en imposant is de engelentrompet (Brugmansia). De geurige lange bloemkelken van deze kuipplant hebben de zelfde vorm als de instrumenten waarmee engelen hun boodschappen verklanken.

 

En… in welke tuin is er geen hemelsleutel (Sedum spectabile) te vinden?Waaraan dankt dit vetplantje zijn prachtige naam? Mogelijk aan het feit dat de hemelsleutel zoals zovele sedums een van de afweerplanten tegen boze geesten, donder en bliksem was? Of is elke vorm van schoonheid simpelweg een sleutel tot de hemel?

   

Bron:  http://plantaardigheden.nl/plant/beschr/default.htm

 

MELCHISEDEK & ABRAHAM

Aan beide zijden van het barokke hoogaltaar (1701-1710) staan twee vrij intrigerende houten beelden. Twee bijbelse figuren: de ene met broden in de hand, de andere met wierook. Wie zijn ze, wat is het verband tussen hen beiden en wat is de betekenis van hun attributen?

De linkerfiguur met hoofddeksel in de vorm van een tulband is Melchisedek, een man die leefde ten tijde van aartsvader Abraham. Hij wordt koning van Salem en priester van de Allerhoogste God genoemd. Zijn naam betekent: 'de koning is rechtvaardig'. Algemeen wordt aangenomen dat 'Salem' verwijst naar het oude Jeruzalem. Volgens de legende was Melchisedek de stichter van Jeruzalem en werden de koningen van de stad als zijn nakomelingen beschouwd.

Melchisedek ontmoet Abraham naar aanleiding van een oorlog tussen verschillende stadstaten in en om het Beloofde Land. Bijbelkenners vinden het verhaal over Sodom en Gomorra één van de boeiendste verhalen uit het Oude Testament. Alle inwoners van de twee steden waren zondig, zo oordeelde God. Lot, de neef van Abraham, was de enige rechtvaardige in Sodom en werd voor de vernietiging gewaarschuwd door twee engelen. Zo kon Lot met zijn vrouw en twee dochters op tijd naar de stad Zoar vluchten. Aangezien de vrouw van Lot haar nieuwsgierigheid niet kon bedwingen en naar de stad omkeek, veranderde ze in een zoutpilaar. Abraham vangt Lot op en bij de terugtocht komt de koning van Sodom hem tegemoet in de Sawevallei, de Koningsvallei. De koning van Salem, Melchisedek, laat brood en wijn - een feestmaal - brengen. Wie zijn bijbelkennis wil opfrissen, kan het hele verhaal nalezen in de Genesis, 14-20.

Abraham, de stamvader van het Joodse volk, is een van de beter gekende bijbelse figuren. Hij en zijn vrouw Sarah - wie vijftig is, kent haar beslist - bleven tot op hoge leeftijd kinderloos. Om haar man het verdriet te besparen zonder nakomelingen te sterven, besluit ze haar Egyptische dienstmeid Hagar met Abraham te laten huwen. Hagar bevalt van een zoon Ismaël. Wonder boven wonder raakt Sarah op hoge leeftijd toch zwanger, krijgt Isaak en overtuigt Abraham om de nu wel overbodig geworden Hagar en haar kind weg te zenden. Volgens de Arabische traditie wordt Ismaël de voorvader van Mohammed.

Het boek Genesis vertelt verder -  na het verslag van de begrafenis van Sarah - dat Abraham Ketura huwt en zij zes zonen met hem krijgt. Het is onwaarschijnlijk dat Abraham Ketura pas na de dood van Sarah tot vrouw of bijvrouw nam. Wellicht waren de twee al gehuwd toen Sarah nog leefde en wordt daarom elders het woord "bijvrouw" gebruikt. Zo’n verhaalopbouw is in de Hebreeuwse vertelkunst niet ongebruikelijk en wat moeten we ons trouwens bij het begrip ‘huwelijk’ voorstellen?  Ketura en haar zonen worden op één lijn gezet met Hagar en haar zoon.

Abraham sterft volgens de Hebreeuwse Bijbel op 175-jarige leeftijd. Isaak blijft de enige officiële erfgenaam, hij zet de stamboom van het Joodse volk verder en blijft in het Beloofde Land. Voor de uitgeweken Ismaël is een belangrijke rol weggelegd in de latere islam. En de zonen van de bijvrouw Ketura worden met geschenken naar het oosten gestuurd. En hier komt het wierookvat dat het beeld van Abraham in zijn hand heeft in het vizier.  De naam Ketura betekent immers קְטוּרָה wierook. Mogelijk is het wierookvat een subtiele verwijzing naar de geschenken die de Wijzen uit het Oosten – nakomelingen van de zes zonen? -  aan het kind brachten?

   

Een voorstelling van Melchisedek en Abraham samen is niet zo ongewoon. Een prachtig ander voorbeeld is het schilderij van Dirk Bouts (1410-1475), een der Vlaamse Primitieven, dat de ontmoeting tussen de twee heren als onderwerp heeft.

 

 

GLASRAMEN, EEN VERVOLG…

De glasramen van de Sint-Niklaaskerk zijn bij een eerste kennismaking niet direct de grootste blikvangers van het gebedshuis. Ze zijn niet gemaakt door rondtrekkende middeleeuwse glasblazers, dat vreemd zwerversvolk dat van kathedraal naar kerk trok. Op het hoogtepunt van de gotische kerkenbouw waren ze overal nodig en de besten konden een hoog loon bedingen. Toch bekeek de goegemeente ze met argwaan omwille van hun vreemd accent en hun zigeunertrekjes.

In 1905, negen jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, is de situatie heel anders. Men beslist hier alle ramen te vernieuwen, de meeste dan met simpel wit glas gevat in lood. De enkele glasramen zijn het werk van het atelier Hochreiter & Geyer, van oorsprong Duitse glazeniers, neergestreken in Antwerpen. Een willekeurige rekening van het ‘Atelier de Vitroux Peints, Hochreiter & Geyer, 14-16 rue Zurenborg’ opgesteld ‘Anvers, le 20 mars 1908’ vermeldt volgende prijzen: ‘Gemalten Fenster ‘Grisaille riche’ 1.100 Fr; Gemalte Fenster ‘Grisaille simple’ 380 Fr.’

Er zijn vier glasramen in de spitsboogvormige raamopeningen vooraan in de kerk. Wat hebben Hochreiter & Geyer hierin uitgebeeld?

Het glasraam aan het linkerzijaltaar geeft een klassieke voorstelling van het H.Hart van Jezus. Deze verering werd rond 1900 nieuw leven ingeblazen. Parallel hiermee stelt het glasraam aan het rechterzijaltaar de maagd Maria voor, een voor de hand liggende keuze vermits zij meestal de tweede in rang is in de kerk.

De twee andere glasramen vertellen een verhaal. In tijden dat de overgrote meerderheid van kerkgangers ongeletterd was, was dat het hoofddoel van de fresco’s, de glasramen, de kruisweg en de schilderijen. De bijbel getekend, een ‘prentenboek’ telkens weer bekeken tot het een deel van het leven werd.

Het glasraam in de nis links vooraan beeldt de ontmoeting uit tussen Maria en haar nicht Elisabeth, een bekend verhaal uit het Nieuwe Testament. Beide vrouwen zijn zwanger, Elisabeth zal de moeder worden van Johannes de Doper, Maria die van Jezus. Maria is heel voorspelbaar en herkenbaar in het blauw gekleed. Nochtans heeft ze een flinke garderobe. Op de 15e eeuwse schilderijen van Vlaamse en Hollandse meesters draagt Maria vaak scharlakenrood omdat dit toen de duurste kleur was. De Byzantijnen kozen om dezelfde reden voor paars, een exquise kleur, alleen geschikt voor heel rijk volk. Toen het ultramarijn rond de 13e eeuw Italië bereikte en daar de duurste kleur op de markt werd, was het logisch dat het gebruikt werd voor de meest geliefde vrouw uit het christendom. In de liturgie en ook daarbuiten hebben kleuren van oudsher een symboolwaarde: zwart staat voor dood, rood voor vuur, liefde en martelaren, paars voor boete, groen voor hoop en wit voor zuiverheid. De kazuifels van de priesters wisselden dan ook van kleur naargelang de periode in het kerkelijk jaar of de specifieke gelegenheid. Sinds paus Pius V in de 16e eeuw deze kleurencode standaardiseerde, is blauw gereserveerd voor de moeder van Christus en wordt ze niet gedragen door de mannen die haar dienen. Tot aan de 20e eeuw was het niet ongewoon dat ouders van een doodziek kind aan Maria beloofden hun kind van tot top teen in het blauw te kleden als het beter werd. Un enfant voué au bleu.

Het raam vooraan rechts ter hoogte van de nis van rouw en verdriet is gewijd aan de patroonheilige van de kerk. Het verwijst naar de gekende legende van Nicolaas, bisschop van Myra, die drie kinderen redt van een twijfelachtig lot. In het meubel van de rouwnis is een prachtig kruisvormig glasraam verwerkt. Het dateert van het midden van de vorige eeuw en was ingebouwd in de achtergevel van de kerk van de H.Familie. Ondanks de ernst en de droefheid van het Christushoofd, volgde niemand daar een viering zonder zich te laten charmeren door het unieke kleurenpalet.

Het pronkstuk van de kerk is ongetwijfeld het rozetvenster in de voorgevel boven de kerkpoort. Zoals altijd komt de schoonheid van een glasraam enkel tot zijn recht bij het kijken van binnen naar buiten, met zon en hemel als lichtbron. Blauw is hier de dominante kleur. In het midden van het rozet straalt Cecilia. Als beschermheilige van de muziek, musici, zangers en instrumentenmakers, kon ze zich geen betere plaats dromen. Verheven boven het doksaal met het Van Peteghemorgel en de gregoriaanse gezangen van weleer, kijkt ze met nieuwsgierigheid toe hoe volk en leer zich zingend een weg banen in deze eeuw.

Hoe inspirerend het beweeglijk kleurenspel van de glasramen kan zijn, toont het herontwerp van het kerkinterieur aan. Het groene tapijt en de oude grijze granietvloer worden volgens de inspiratie van het moment bezaaid met kleurcirkels. Het ontwerp werd in 2011 uitgevoerd door het tcct, een interieurarchitectuurbureau onder leiding van Tom Callebaut  http://www.tcct.be/  :“Bij het ontwerp van het nieuwe interieur van de kerk lieten we ons inspireren door het licht dat van buiten doorheen de glasramen van de kerk naar binnen valt en zo kleurvlekken doorheen de kerk verspreidt. Een spel van kleurvlekken krijgt betekenis dankzij nieuwe vormen. Die vormen krijgen functies, bieden nieuwe mogelijkheden en zo een nieuw leven in de kerk. Een nieuw leven dat ontstaat dankzij en doorheen de kracht van de traditie. De nieuwe interieuringrepen zullen gekleurd worden met het kleurenpalet van de glasramen en dankzij het licht van buiten. Zachte materialen zullen warmte en leven in de kerk binnen brengen en zo een nieuwe plek geven aan een nieuwe gemeenschap. Een nieuwe, open gemeenschap van vele mensen, divers gekleurd en begeesterd door het licht van buiten.” 

   

Joomla! Foutopsporingsconsole

Sessie

Profielinformatie

Geheugengebruik

Database queries